Bescherming natuur leidt tot concentratie onderklasse

De Goudse wijk Oosterwei
Door Harry Veenendaal en Peter Grol

Gemeenten stapelen in achterstandswijken de onderkant van de samenleving op in portiek- en galerijflats. Grote woningen zijn nodig, maar de wettelijke bescherming van de natuur in het Groene Hart houdt dit tegen.

Gemeenten in de Randstad stapelen de onderkant van de samenleving op. Letterlijk. Wijken als het Utrechtse Kanaleneiland, de Kolenkitbuurt in Amsterdam of Oosterwei in Gouda, bestaan grotendeels uit galerij en portiekflats met relatief grote gezinnen op een beperkte woonruimte. Het is dan ook niet vreemd dat jongeren zoveel mogelijk tijd op straat doorbrengen, met de problematiek van hangjongeren als logisch gevolg. De kern van de problematiek kan eenvoudig worden opgelost: bouw in het Groene Hart zoveel mogelijk goedkope, ruime eengezinswoningen met een voor- en achtertuin.

Veel Randstedelijke gemeenten zoals Gouda kunnen nauwelijks uitbreiden vanwege de landschappelijke en culturele status van het Groene Hart. Als uitbreiding al sporadisch mogelijk is, bijvoorbeeld met de Goudse wijk Westergouwe, zijn verreweg de meeste woningen ver buiten het financiële bereik van de huishoudens in achterstandswijken. Dit is een normale systematiek. Ieder grootstedelijk gebied heeft wijken met een relatief hoge opslagcapaciteit in de vorm van portiek- en galerijflats voor economisch minst draagkrachtige. Bouwgrond is nu eenmaal schaars en de beste grondposities zijn voor de meest draagkrachtige. De overheid heeft de taak om hierin een balans te vinden. Net zoals in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw toen deze balans succesvol werd gehandhaafd. Indertijd leefden relatief veel grote gezinnen op een kleine oppervlakte zonder dat dit tot noemenswaardige sociale problemen leidde, zoals in de Bijlmermeer. Een dergelijk sociaal evenwicht verdwijnt zodra verpaupering, eenzijdige samenstelling van de buurtbewoners, armoede en overbevolking in de wijk de boventoon gaan voeren. En dat is momenteel op grote schaal in Nederlandse achterstandswijken aan de hand.

De Goudse wijk Oosterwei heeft bijvoorbeeld volgens een statistische rapportage van de gemeente Gouda een leeftijdsoverschot in de groep nul tot negentien jaar, een aanzienlijk geboorteoverschot, een hoge woningdichtheid en een onevenredig aantal gezinnen met vijf gezinsleden of meer. Er is een grotere instroom dan uitstroom en de gemiddelde woonoppervlakte van zeventig vierkante meter per appartement is ontoereikend. Dergelijke achterstandswijken zijn min of meer een sociaal afvoerputje. Om deze tendens te keren, moet de overheid ingrijpen om de balans met de overige wijken te herstellen.

Zo heeft de gemeente Utrecht een avondklok voor kinderen tot twaalf jaar ingesteld. Zijn deze kinderen ’s avonds laat op straat, dan worden ze door de straatcoach of de politie thuis gebracht. Alsof een overvol en klein appartement in een galerijflat de ideale plek is om een kind op te voeden. Een ander toegepast middel is wijksanering en stadsvernieuwing. Oude verpauperde woningen worden opgeknapt en de omgeving wordt leefbaar gemaakt door de aanleg van voetbalvelden en het plaatsen van wipkippen. Deze aanpak is niet succesvol en werkt zelf averechts, zoals de NRC op 13 mei 2009 berichtte op basis van een ongepubliceerd rapport van SEO Economisch Onderzoek.

Het is om die reden belangrijk dat voldoende betaalbare, ruime eengezinswoningen met voor- en achtertuin worden gebouwd. Het Groene Hart is daarvoor de meest voor de hand liggende plek. Een groter huis geeft gezinsleden nu eenmaal meer individuele privacy waardoor minder tijd op straat hoeft te worden doorgebracht. Bovendien worden de sociale contacten met buurtgenoten anders. Portiek- of galerijcontacten zijn veel vluchtiger, oppervlakkiger en rauwer dan over-de-schutting, heg en tuinhekcontacten. Weliswaar zullen sommige gebieden met natuur en cultuurhistorische waarde verdwijnen. Maar dat is de prijs die betaald moet worden om gettovorming, verpaupering en onthechting van hele bevolkingsgroepen te voorkomen. Het krampachtig vasthouden aan het gehele Groene Hart, komt het behoud van kleinere specifieke natuurgebieden ook niet ten goede. Bovendien is er voldoende rust en natuur beschikbaar op relatief korte reisafstand van de Randstad zoals de Utrechtse heuvelrug, de Veluwe en de Achterhoek.

De dieperliggende sociaal-maatschappelijke vraag is echter of op termijn de samenleving gezinsuitbreiding moet faciliteren, zonder dat dit gezin over de benodigde eigen financiële middelen beschikt om deze uitbreiding te financieren. Het is niet de bedoeling dat het louter hebben van een groot gezin in een te klein appartement per definitie leidt tot een grotere gesubsidieerde woning zonder dat daar tegenover enige vorm van individuele financiële draagkracht staat. Dat zou een onjuiste impuls zijn. Het bebouwen van het Groene Hart met eengezinswoningen is dan ook slechts een ad hoc tussenoplossing die de hoogste nood van dit moment kan ledigen. Voor de toekomst zou overheidsbeleid welkom zijn om evenwicht te vinden tussen individuele financiële draagkracht, gezinsomvang en woonomgeving om op deze wijze overbevolking en daarmee verpaupering in achterstandswijken tegen te gaan. Indien André Rouvoet, de minister van Jeugd en Gezin, overheidsbeleid op deze problematiek weet te formuleren, zal zijn ministerschap een doorslaand succes zijn.

Harry Veenendaal is publicist en columnist van het Advocatenblad. Peter Grol is directeur van Gouda’s Gilde. Beiden wonen in Gouda.

Gepubliceerd in:
Opinie