Verlaag de garantie voor spaarders
Het depositogarantiestelsel moet op de schop. Zorg dat de overheid minder kwetsbaar wordt.
In de meeste landen garandeert de overheid mensen met een spaarrekening dat zij hun inleg altijd terugkrijgen. Hierbij geldt wel een maximum. Tijdens de kredietcrisis hebben veel landen dat maximum meer dan verdubbeld. In Nederland ligt het nu op 100.000 euro.
De kosten van het stelsel worden gedragen door de banken en de overheid, waarbij de precieze verdeling per land verschilt. In Nederland worden spaarders, als hun bank in gebreke blijft, in eerste instantie door de overheid gecompenseerd. Maar die kan de kosten vervolgens op alle andere banken verhalen. Helaas helpt dit de belastingbetaler maar tot op zekere hoogte. Want als een grote bank failliet gaat en de nog gezonde banken daarvoor moeten opdraaien komen ook die banken mogelijk in de problemen, en dan moet de overheid de banksector toch weer steunen.
Het stelsel is bedoeld om spaarders vertrouwen te geven. Dat is vooral belangrijk in tijden van onrust, want alleen vertrouwen kan dan een run op de banken voorkomen. Zonder garantiestelsel was ons financiële systeem vorig jaar waarschijnlijk ontploft – met alle rampzalige gevolgen vandien.
Het stelsel beschermt de spaarders. Maar de belastingbetaler kan flinke pech hebben. Zo moet de IJslandse overheid (volgens een voorlopig akkoord) vier miljard euro betalen (alleen al) om de Engelse en Nederlandse klanten van Icesave te compenseren. Dat is 13.000 euro per IJslander, ofwel 39.000 euro voor een gezin van drie. Asociaal.
Een ander nadeel is het volgende. Banken die riskante investeringen doen teneinde een hoog rendement te behalen kunnen, zolang alles goed gaat, hun spaarders ook een hoge rente bieden. Dat bevalt spaarders wel, ook omdat de overheid hun inleg toch wel garandeert. Betrouwbare banken die minder riskant investeren bieden vaak een minder hoge rente, en zien hierdoor spaarders weglopen. Maar ze moeten wel de schade helpen repareren als er weer een avontuurlijke bank failliet gaat. Het systeem steunt dus de avonturiers, terwijl we juist behoefte hebben aan betrouwbaarheid.
Vanwege deze nadelen heeft de Commissie-Maas onlangs voorgesteld het maximumbedrag weer omlaag te brengen, tot 50.000 euro. Maar de kredietcrisis heeft ons net geleerd dat, op het moment dat er een run op de banken dreigt, veel landen 50.000 euro niet genoeg vinden. Daarom zijn de maxima vorig jaar juist zo sterk verhoogd. Dit leidde toen tot allerlei discussies en spanningen, en versterkte het gevoel dat banken niet langer zonder overheidssteun konden. Niet echt handig tijdens een crisis. We moeten juist een stelsel hebben dat goed kan functioneren zonder aanpassingen op het laatste moment.
De volgende wijzigingen kunnen hieraan bijdragen. Ten eerste: de garantie op de eerste tienduizend euro blijft 100 procent, maar de garantie op de volgende negentigduizend gaat naar 90 procent. Wellicht kan hierbij een uitzonderingen gelden voor rekeningen met een rente van nul waarop mensen bijvoorbeeld de opbrengst van de verkoop van een huis kunnen parkeren. De hieruit resulterende winst voor de bank zou dan (deels) naar een fonds voor gedupeerde spaarders kunnen gaan.
Ten tweede krijgt de toezichthouder het recht om, op het moment dat volgens hem het begin van een run op een bepaalde bank lijkt te ontstaan, bij deze bank een ‘crisisregime’ in te stellen. Dit houdt in dat hij de bank verbiedt om aan een spaarder meer uit te keren dan de overheidsgarantie. Daarbij wordt steeds uitgegaan van het hoogste saldo vanaf het begin van het regime. Iemand met 10.000 euro op zijn rekening kan dus al zijn geld op elk moment terugkrijgen. Iemand die bij aanvang van het crisisregime 30.000 euro op zijn rekening heeft staan en zijn geld meteen terug wil, krijgt op dat moment slechts 28.000 euro (10.000 plus 90 procent van 20.000). Maar als deze persoon zijn geld laat staan en het kort daarna zelfs aandurft om zijn saldo tot 40.000 te verhogen, dan krijgt hij gedurende het regime maximaal 37.000 terug. Als de bank na verloop van tijd weer voldoende liquide is, eindigt het crisisregime en krijgt elke spaarder desgewenst al zijn (resterende) geld terug. Maar als de bank uiteindelijk failliet gaat krijgt de spaarder het niet door de overheid gegarandeerde bedrag nooit meer terug. Jammer. Had hij maar bij een gezonde bank moeten sparen. Meer dan tienduizend euro wegzetten op een spaarrekening is in wezen beleggen. En aan beleggen kleven risico’s. Van die risico’s moet de overheid zo weinig mogelijk dragen. Het onderwijs heeft tenslotte ook geld nodig. Eigenlijk is een garantie van 90 procent nog te veel; 75 procent is beter.
Zo’n lagere garantie kan de overheid bij een crisis miljarden schelen. En het financiële stelsel wordt stabieler, want de spaarder gaat eerder naar een betrouwbare bank. Natuurlijk, hij kan nog steeds kiezen voor de bank met de hoogste rente. Maar de reclame van betrouwbare banken zal hem dan in elk geval doen beseffen dat hij ook geld kan verliezen.
De belangrijkste functie van het garantiestelsel is het voorkomen van een run op banken. Die functie blijft intact. Het crisisregime wordt immers ingesteld voordat het aantal opnames bij een bank te hoog wordt. (Bij een te groot aantal opnames tijdens een nacht met een onbereikbare toezichthouder treedt automatisch een korte, tijdelijk opnamestop in werking.) En wanneer het regime eenmaal is ingesteld, is er geen reden meer voor een bankrun. Want het bedrag dat een klant nog wel mag opnemen is precies gelijk aan de overheidsgarantie, en daarvoor hoeft hij niet hard te rennen. Natuurlijk, als de bank later falliet gaat is hij 25 procent van zijn geld kwijt. Maar dat had ook gekund als hij in aandelen had belegd. De beurs is wel eens met meer dan 50 procent gekelderd. Zo bezien is een garantie van 75 procent nog te veel; 50 procent lijkt beter.
Het voorkomen van een run op banken is een taak voor de overheid. Het uitbannen van risico’s voor beleggers, waaronder spaarders, is dat niet. Dat zou ook zinloos zijn, want die risico’s slaan altijd ergens neer. Vraag maar aan de belastingbetaler uit IJsland.
Tsjalle van der Burg doceert economie aan de Universiteit Twente.
