Wie aan beloning medisch specialist komt, komt aan marktwerking
Als voorzitter Hans Wiegel van Zorgverzekeraars Nederland vraagt om een radicale ingreep in de honorering van medisch specialisten, dan vraagt hij in feite om een terugkeer naar de centraal geleide planeconomie en het alom gehekelde 'Moskou aan zee'.
De zorgvraag in Nederland stijgt hard onder invloed van vergrijzing, toenemende medisch technische mogelijkheden en een ongezondere levensstijl. De stijging gaat sneller dan de planeconomen bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) willen weten. Ziedaar de belangrijkste oorzaak van de zogenaamde ‘kostenexplosie’ in de gezondheidszorg. Uiteindelijk zal dat moeten leiden tot hogere zorgpremies of een uitkleding van het verzekerde pakket. Geen van beide oplossingen is sympathiek. En daarom wordt er – terecht - gezocht naar wegen om eerst de efficiency in de zorgsector verder te verbeteren.
Enkele jaren geleden voerde de overheid een systeem in van gereguleerde marktwerking in de gezondheidszorg. Nu lijkt zij te aarzelen. Want marktwerking in de semi-publieke sector, waaronder de gezondheidszorg, is een vies woord geworden.
Marktwerking wordt – met dank aan de kredietcrisis – ineens geassocieerd met topinkomens, met een ongebreidelde stijging van de uitgaven en dalende kwaliteit. En dat is onjuist. Ook in de medisch specialistische gezondheidszorg heeft de ondernemingsgewijze productie van goederen en diensten zijn waarde bewezen. De zorgverzekeraars hebben – eindelijk – de hoeveelheid zorg gecontracteerd waaraan de Nederlandse bevolking kennelijk behoefte heeft. De wachtlijsten in de gezondheidzorg zijn sterk afgenomen. En de premiestijging is beperkt gebleven. In internationaal perspectief zijn de premies en eigen betalingen bovendien laag, zoals in 2007 nog uit een OESO-rapport bleek.
Tot voor kort werd openlijk betwijfeld of de Nederlandse zorgsector tot zo’n ommezwaai in staat zou zijn. Het overheidsbeleid was er namelijk twintig jaar lang gericht het aantal Nederlandse medisch specialisten te beperken. Dat wantrouwen is gelogenstraft door een eenvoudig marktmechanisme: het starre budgetteringsysteem werd losgelaten en er werd een stukloon geïntroduceerd, de diagnosebehandelingcombinate (DBC), voor ziekenhuizen en voor medisch specialisten.
Het stukloon voor medisch specialisten bestaat uit een normtijd voor elke behandeling, vermenigvuldigd met een uniform uurtarief voor alle specialisten. De normtijden voor alle behandelingen zijn landelijk uniform vastgesteld. Over het uurtarief is lang onderhandeld, en uiteindelijk is het door de voorganger van deze minister zorgvuldig vastgesteld op een maatschappelijk aanvaardbaar niveau van 132,50 euro (prijspeil 2006).
De overheid had gedacht daaraan te gaan verdienen, maar kwam bedrogen uit. Waarom? Vroeger bestonden er ongerechtvaardigde verschillen in omzetten en inkomens van medisch specialisten. Deze verschillen moesten verdwijnen. Het nieuwe systeem beoogde omzetdalingen bij sommige specialismen en omzetstijgingen bij andere te bewerkstelligen. Dat is gebeurd.
Als het uurtarief en de jaarlijkse indexering daarvan nu tot een toename van de uitgaven leidt, dan is dat geen fraude, maar het gevolg van een weloverwogen politieke beslissing om het uurtarief niet budgetneutraal maar normatief vast te stellen. Inderdaad, er zijn ook systeemfouten opgetreden. Daardoor hebben zich ongerechtvaardigde omzetstijgingen bij enkele ondersteunende specialismen voorgedaan. Die afwijkingen moeten uiteraard snel worden gecorrigeerd. Daar doe ik niets aan af.
In een marktsysteem zullen er altijd medisch specialisten zijn die wegen vinden om door innovatie productiever of kwalitatief beter te zijn dan hun concurrenten. Zij kunnen meer zorg contracteren met de verzekeraars, en zelf hogere omzetten verwerven. Voor ziekenhuizen geldt hetzelfde. Dat is niet laakbaar, maar eerder prijzenswaardig. Want de concurrenten zullen moeten proberen om bij te blijven door dergelijke innovaties zelf ook snel in te voeren.
Het gevolg is dat er regelmatig onderhandeld kan worden over een structurele verlaging van de normtijden en een betere kwaliteit van zorg. En dat is dus ook wat er zou moeten gebeuren. Daarvan profiteert de Nederlandse premiebetaler. Kwaliteitsnormen en goed toezicht op de naleving daarvan zijn daarbij essentieel. Haastwerk en kwaliteitsverlies moeten immers voorkomen worden.
Het is daarom niet alleen onrechtvaardig maar ook onverstandig van minister Ab Klink (CDA) van VWS om met de kaasschaafmethode te willen ingrijpen in het uurtarief voor medisch specialisten. Want dat uurtarief is een wezenlijk onderdeel van het marktmechanisme, de motor die moet leiden tot een hogere productiviteit en kwaliteit van de Nederlandse gezondheidszorg.
Als voorzitter Hans Wiegel van Zorgverzekeraars Nederland vraagt om een radicale ingreep in de honorering van medisch specialisten, dan vraagt hij in feite om een terugkeer naar de centraal geleide planeconomie en het alom gehekelde “Moskou aan zee”, waarvan met brede instemming afscheid is genomen. Een verfoeilijk systeem waarin ook de premiestelling en de reservevorming van verzekeraars aan banden worden gelegd en de ziekenhuizen weer worden gebudgetteerd. Een systeem dat jarenlang alle innovatie in de Nederlandse gezondheidszorg heeft lamgelegd en dat we met wachtlijsten hebben moeten bekopen.
FBM Sanders is radioloog in het Diakonessenhuis Utrecht – Zeist – Doorn en voormalig voorzitter van de Orde van Medisch Specialisten en van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg.
