Wat Bjørn Lomborg ons niet vertelt
Lomborg biedt voornamelijk schijn-objectiviteit en nep-redelijkheid. Had hij werkelijk willen bijdragen aan het klimaatdebat, dan had hij openlijk moeten vermelden hoe onzeker én subjectief zijn betoog in werkelijkheid is.
Op de opiniepagina van 25 augustus krijgt de Deense politicoloog Bjørn Lomborg alle ruimte om uit te leggen waarom de uitstoot van CO2 niet nu maar in de toekomst moet worden verminderd. De (voormalige) “Skeptical Environmentalist” Lomborg accepteert dat de CO2 uitstoot dient te worden verlaagd om verdere opwarming van de aarde te voorkomen. Maar zo stelt hij, we hoeven hiermee geen haast te maken, want uit gedegen economische kosten-baten studies blijkt dat de kosten van een ambitieuze CO2-reductie op de korte termijn veel hoger zullen zijn dan de opbrengsten ervan. Economisch gezien is het volgens Lomborg beter om de CO2-reductie uit te stellen tot in de (verre) toekomst: het geld dat we nu niet uitgeven aan klimaatbeleid, kunnen we wegzetten op een rente-dragende spaarrekening en over ruim 90 jaar (inclusief alle verkregen rente-opbrengsten) gebruiken voor investeringen in CO2-reductie. Lomborgs conclusie is niet alleen heel geruststellend, sterker nog, uitstel is ook nog eens goedkoper (d.w.z. kosten-effectiever).
Helaas is het aplomb waarmee Lomborg zijn conclusie presenteert, misplaatst, omdat deze berust op een ongefundeerd vertrouwen in de objectiviteit van kosten-baten analyse. “Kosten en baten zijn van belang”, schrijft Lomborg terecht, maar hij vertelt er niet bij dat het bepalen van de korte-termijn en lange-termijn kosten en baten van klimaatbeleid geen sinecure is. Het is zo moeilijk om deze, vaak hoogst onzekere, kosten en opbrengsten te bepalen en in financiële waarden uit te drukken dat Harvard-econoom Martin Weitzman zelfs stelt dat kosten-baten studies van klimaatverandering meer verwarring scheppen dan inzicht geven. Waarom zijn kosten-baten studies van klimaatbeleid zo complex?
De eerste oorzaak is de fundamentele onzekerheid die er bestaat omtrent de gevoeligheid van de (gemiddelde) temperatuur voor een toename in atmosferische CO2-concentraties. Volgens Lomborg zal de concentratie CO2 in de atmosfeer stijgen (van 385 parts-per-million nu) tot 850 parts-per-million, als we de CO2-reductie uitstellen zoals hij voorstelt. Volgens schattingen van de IPCC zal de mediane temperatuur hierdoor stijgen met 2,4 ºC in 2100 en de economische, humanitaire en ecologische schade hierdoor zou volgens Lomborg beperkt zijn. Wat Lomborg niet vertelt is dat de temperatuurstijging waarschijnlijk hoger zal uitvallen. Als de concentratie CO2 inderdaad toeneemt tot 850 ppm, dan is de (niet te verwaarlozen) kans op een temperatuurstijging van 3ºC ongeveer 75 procent en op een stijging 4,5ºC ongeveer 50 procent. Meer opwarming zal onherroepelijk leiden tot nog hogere schade en kosten. Lomborg verwaarloost deze onzekerheid en biedt dus schijnzekerheid. Wanneer men wel rekening houdt met (soms kleine) risico’s op hoge temperatuurstijging en grote schade, zullen de economische kosten van klimaatverandering hoger uitvallen en zal een klimaatbeleid kosten-effectiever worden.
Een tweede, onderbelicht, probleem betreft het uitdrukken van de humanitaire en ecologische schade, die ontstaat door klimaatverandering, in geld (euro’s of dollars). In kosten-baten studies wordt alle schade uitgedrukt in geld – om het te kunnen vergelijken met de financiële kosten van klimaatbeleid ter voorkoming van die schade. Sommige schade valt relatief eenvoudig in geld uit te drukken (denk aan het verlies aan voedselproduktie of de hogere kosten voor duurzame energie). Maar dit geldt niet voor het te verwachten verlies aan biodiversiteit, de schade aan de menselijke volksgezondheid en een hogere sterfte. In kosten-baten studies wordt dit soort schade ofwel niet meegeteld, ofwel uitgedrukt in geld. Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat de kosten van een hogere sterfte worden berekend op basis van een normbedrag voor een mensenleven; dit normbedrag wordt eufemistisch de “value of a statistical life” genoemd. Meestal wordt de prijs van een mensenleven berekend op basis van het loon dat mensen verdienen, zoals duidelijk wordt uitgelegd door Lisa Heinzerling en Franck Ackerman in hun boek Priceless: On Knowing the Price of Everything and the Value of Nothing.
Omdat werknemers in ontwikkelingslanden veel lagere lonen verdienen dan werknemers in de rijke landen, betekent dit dat (zogenaamd statistische) mensenlevens in ontwikkelingslanden veel goedkoper zijn dan in de rijke landen. Iedereen is het er over eens dat klimaatverandering de ontwikkelingslanden het hardste zal treffen. Maar weet men ook dat de humanitaire kosten (inclusief extra sterfte) in deze landen in “objectieve” kosten-baten studies minder meewegen dan onze humanitaire schade?
Tenslotte, wat Lomborg ook niet meedeelt is dat in de kosten-baten studies waar hij naar verwijst, de toekomstige kosten van klimaat-verandering zijn verdisconteerd tegen een discontovoet van 5 procent. Het disconteren van toekomstige kosten is het uitdrukken van toekomstige financiële bedragen in “huidige waarde”. De hoogte van een discontovoet is daarbij allesbepalend. Hoe hoger de discontovoet, des te kleiner wordt de huidige waarde van eventuele toekomstige schade. Stel dat de broeikasschade 100 miljard euro bedraagt in 2100. Met Lomborgs discontovoet van 5 procent is dit gelijk aan slechts 1,2 miljard euro nu. Met een discontovoet van 1 procent bedraagt de huidige waarde van die toekomstige schade echter ruim 40 miljard euro – dit is 34 keer zoveel. De keuze van discontovoet is subjectief. Lomborg kiest een hoge discontovoet van 5 procent en vindt daardoor dat de schade van opwarming wel mee zal vallen en dat klimaatbeleid daarom niet (snel) kosten-effectief is. Andere economen, zoals bijvoorbeeld Nicholas Stern, kiezen – vaak uit ethische overwegingen - een lagere discontovoet, vinden daardoor hogere bedragen voor klimaatschade en concluderen dat klimaatbeleid wel kosten-effectief is. Met een lagere discontovoet zou Lomborg zijn conclusies waarschijnlijk dienen te herzien.
Klimatologen, zoals recent bijvoorbeeld Malthe Meinshausen in Nature, raken steeds meer verontrust en benadrukken met klem dat we onze CO2-uitstoot binnen 20 jaar zeer drastisch dienen te verminderen, willen we hoge risico’s op aanzienlijke opwarming vermijden. Bjørn Lomborg maant ons daarentegen tot kalmte, redelijkheid en zuinigheid. Maar hij biedt voornamelijk schijn-objectiviteit en nep-redelijkheid. Had Lomborg werkelijk willen bijdragen aan het klimaatdebat, dan had hij openlijk moeten vermelden hoe onzeker én subjectief zijn betoog in werkelijkheid is.
Servaas Storm is als econoom werkzaam aan de TU Delft.
