Wetenschappers zijn zelden objectief

Door Henk Jan Out

Wetenschap behoort per definitie objectief te zijn maar wetenschappers zijn dat zelden. Zij worden lang niet altijd uitsluitend gedreven door een wetenschappelijke honger naar de waarheid. De roep om onafhankelijkheid is daarom naïef.

Mogelijke belangenverstrengeling van artsen, wetenschappers en andere beleidsmakers in de gezondheidszorg blijft de gemoederen in Nederland bezighouden. Zo klinkt al geruime tijd de roep op de oprichting van een onafhankelijk fonds voor geneesmiddelenonderzoek omdat gemeend wordt dat financiering door de farmaceutische industrie de resultaten beïnvloedt. Ook was er onlangs grote ophef over ziekte- of geneesmiddeleninformatie door de farmaceutische industrie op publieke toegankelijke websites. Dit wordt door het TV- programma Radar en the Consumentenbond gezien als verhulde reclame voor geneesmiddelen. Zij bepleiten zelfs een verbod, wat ogenschijnlijk in tegenspraak is met de ongecensureerde werkelijkheid van het Internet en de mondige consument die zichzelf wel informeert. Over de viroloog Ab Osterhaus werd zelfs een Kamerdebat gehouden omdat zijn aandeel van 10 procent in een bedrijfje dat zich specialiseert in het meten van antilichamen niet te combineren zou zijn met zijn vooraanstaande adviseursrol binnen de Gezondheidsraad. Een commerciële organisatie of een persoon die een financiële relatie met een bedrijf heeft, wordt blijkbaar inhoudelijk niet meer serieus genomen, want er is toch een belangenconflict?

Opvallend is dat de publieke verontwaardiging vooral de farmaceutische industrie betreft en niet andere partijen die geld verdienen aan ziekte en gezondheid zoals artsen, ziekenhuizen en zorgverzekeraars. Belangenverstrengeling ligt ook daar op de loer. Voor artsen in maatschapverband is er een directe relatie tussen het aantal procedures dat ze verrichten en hun inkomsten. Daarnaast leveren sommige operaties of diagnostische activiteiten meer op dan andere. Ziekenhuizen en zorgverzekeraars hebben er vaak belang bij dat de goedkoopste behandeling gekozen wordt en dit hoeft niet altijd de beste optie te zijn.

De discussie gaat zelfs verder. Zelfs als bijvoorbeeld aangetoond kan worden dat Osterhaus geldelijk er niets wijzer van wordt als zijn adviezen worden opgevolgd, moet volgens velen toch de schijn van belangenverstrengeling worden voorkomen en zou hij geen belangrijke adviserende rol voor de overheid mogen hebben. Onderzoekers dienen onafhankelijk te zijn om tot een objectief oordeel en een kwalitatief hoogstaand advies te kunnen komen. Deze uitspraak suggereert dat onderzoekers die geen relaties hebben met het bedrijfsleven objectief zouden zijn en dus betere adviezen geven. Is dat zo?

Het Amerikaanse Institute of Medicine definieert belangenverstrengeling (“conflict of interest”) als een geheel aan omstandigheden waarbij het risico bestaat dat een professioneel oordeel of activiteiten over een primair belang onrechtmatig (“unduly”) worden beïnvloed door een secundair belang. Hoewel iedereen het erover eens kan zijn dat het primaire belang voorop dient te staan, is de moeilijkheid om vast te stellen wat precies het secundaire belang is en wanneer er sprake is van “onrechtmatige” beïnvloeding. Is het feit dat Osterhaus 10 procent aandelen bezit in een bedrijfje reden genoeg om van belangenverstrengeling te spreken? Betekent het feit dat farmaceutische bedrijven commerciële organisaties zijn dat zij niet geloofwaardig informatie kunnen geven over hun medicijnen en de ziektebeelden waarvoor die bedoeld zijn?

Geneesmiddelenproducenten en overheden kunnen niet zonder adviseurs. Deze worden aangezocht vanwege een specifieke expertise die niet in de eigen organisatie aanwezig is. Steeds meer wetenschappers hebben een dergelijke rol waarbij hun consulterende functie contractueel vastgelegd wordt. Net als de loodgieter die mijn verstopte gootsteen repareert, worden ook medische adviseurs financieel gecompenseerd. Hoe meer verstand van zaken iemand heeft, des te groter de kans dat zo iemand door commerciële organisaties ingehuurd wordt voor deskundig advies. Aangezien de overheid bedrijvigheid door universiteiten aanmoedigt en het bovendien een welkome extra bron van financiering is, komen er steeds meer wetenschappers die onderzoek doen of als adviseur fungeren voor de industrie. Het wordt dus steeds moeilijker om “onafhankelijke” experts te vinden omdat de echte kenners allang door de industrie “gestrikt” zijn. In toenemende mate wordt de term “onafhankelijk” dus equivalent met “minder kennis van zaken”.

Wetenschap behoort per definitie objectief te zijn maar wetenschappers zijn dat zelden. Zij worden lang niet altijd uitsluitend gedreven door een wetenschappelijke honger naar de waarheid. Ook secundaire belangen als carrière en persoonlijke roem spelen een rol. Hun denken wordt bovendien bepaald door op dat moment heersende wetenschappelijke paradigma’s. Vele wetenschappers met een rotsvaste overtuiging van hun gelijk over een bepaald onderwerp, zullen moeite hebben nieuw onderzoek dat niet in overeenstemming is met hun visie, objectief te beoordelen. Door deze mensen “onafhankelijk” te noemen alleen omdat er geen financiële relatie is met het bedrijfsleven miskennen we andere belangenconflicten die mogelijkerwijs zelfs een grotere invloed zouden kunnen hebben.

Moeten we dan helemaal niet meer kijken naar financiële banden? Nee, iedereen zal het prettig vinden om op zijn minst te weten of er secundaire, zoals financiële, belangen zijn. Transparantie daarover is een goede zaak. Steeds meer grote farmaceutische bedrijven hebben inmiddels aangekondigd de honoraria en namen van hun adviseurs te publiceren. Maar ik zou tegelijkertijd ook willen pleiten voor een inhoudelijke discussie over informatie en adviezen afkomstig van commerciële of andere belangenorganisaties en wetenschappers. Dit brengt ons veel verder dan vage discussies over (de schijn van) belangenverstrengeling. De beïnvloeding door het secundaire belang valt niet te objectiveren en het is nog maar de vraag of de criticasters die overal belangenverstrengelingen zien zelf ook niet gedreven worden door secundaire belangen. Commerciële organisaties hebben misschien wel veel meer verstand van zaken dan onafhankelijke instanties. Wie weet er meer over zijn geneesmiddelen dan de fabrikant? Door daar categorisch geen gebruik van te maken wordt het gevaar gelopen dat de overheid, de universiteiten of patiënten essentiële informatie niet volledig meenemen in besluitvorming. Daarmee loopt de kwaliteit van besluitvorming risico. Onafhankelijke adviseurs, prima, maar voor mijn gezondheid vind ik het belangrijker dat adviezen komen van goed geïnformeerde, integere experts. Het feit dat ze daaraan (misschien) verdienen neem ik graag op de koop toe.

Henk Jan Out is vice-president van Global Clinical Research bij het Schering-Plough Research Institute in Oss.

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie