Museumwereld is een gezonde bedrijfstak

Door Benno Tempel

De reden dat musea weinig getroffen lijken door de crises heeft te maken met gezonde bedrijfsvoering. De suggestie dat deze instellingen zich ten onrechte verrijken is onheus.

Recentelijk heeft een drietal economen opiniërende stukken gepubliceerd in het NRC Handelsblad. 26 oktober verscheen ‘Kunstsector moet zelf eens geld gaan generen’ van Pim van Klink en Arjen van Witteloostuijn en op 3 november plaatste Arjo Klamer ‘Niemand is gebaat bij objectieve adviezen over kunst’.

Economen aan het woord over non-profit instellingen, dat is bij voorbaat interessant. Maar beide artikelen zijn teleurstellend en schetsen een beeld van de kunstwereld dat veel clichés bevat, en bovendien op een aantal essentiële punten geen blijk geeft van realiteitszin. Met name de suggestieve titel en de toon van het artikel van Pim van Klink en Arjen van Witteloostuijn geven de lezer wel een erg gekleurd beeld van de kunstsector.

De tendens die uit het artikel spreekt, geeft de suggestie dat kunstinstellingen op slimme manier subsidie weten te krijgen en zich in deze economisch zware tijd weten te onttrekken aan de gevolgen van de crises. Waarbij de lezer het gevoel bekruipt dat de instellingen zich als een stel profiteurs ten onrechte verrijken. Niets is minder waar. Als museumdirecteur merk ik zeker dat de crises een wissel trekt op het museale veld. Tentoonstellingen worden afgezegd, sponsorinkomsten staan onder druk en het aantal buitenlandse bezoekers neemt af. Graag wil ik het door Van Klink en Van Witteloostuijn geschetste beeld voor wat betreft de museale wereld dan ook rechtzetten.

De eerste misvatting zit erin dat musea recessiebestendig zijn vanwege subsidies. De ware reden is natuurlijk dat musea non-profit instellingen zijn. Musea krijgen geld van overheden. Deze subsidies worden niet belegd in risicovolle aandelenfondsen. De klappen die bedrijven hebben getroffen zijn de musea gepasseerd omdat er verantwoord is omgegaan met de gelden. De eigenlijke reden dat musea relatief gezien nog weinig getroffen lijken door de crises heeft meer te maken met gezonde bedrijfsvoering. De meeste musea in ons land werken met een strakke begroting, inzicht in bezoekerinkomsten zijn goed in te schatten en geven richting aan de toekomstplannen. Investeringen van extra activiteiten worden voor een groot deel uit inkomsten, via bijvoorbeeld fondsen of sponsoring, gerealiseerd. Juist om hun ambities te kunnen bereiken zijn musea daarom gebaat aan een reële inschatting van inkomsten.

Opmerkelijk aan het artikel van de economen is dat ze geen oog hebben van het vitale belang van het museum als non-profit instelling voor de economie. De huidige tentoonstelling Cézanne-Picasso-Mondriaan in het Gemeentemuseum Den Haag trekt drommen mensen. Dat tienduizenden Den Haag bezoeken is merkbaar in de stad. Ze verplaatsen zich bijvoorbeeld met openbaar vervoer. De HTM vaart er wel bij. Maar ook de horeca in de stad krijgt meer toeloop en in de binnenstad wordt gewinkeld. Bij mooi weer zijn onze bezoekers binnen tien minuten op het strand.

De grootste misvatting ligt echter in de idee dat musea structurele overheidssteun krijgen. Hier wordt de suggestie gewekt dat overheden gulle gevers zijn die subsidies geven om de instellingen overeind te houden omdat ze te weinig inkomsten genereren. Dit doet geen recht aan hoe in Nederland kunst wordt beheerd.

Het is belangrijk dat juist dit idee in het juiste perspectief wordt geplaatst omdat het van grote invloed is op de publieke opinie. De kunstcollectie is namelijk niet van het museum maar van de overheid. Musea krijgen geld om de collectie van de lokale of nationale overheid te onderhouden, op pijl te houden etc. Dat is heel iets anders dan overheidssteun! In het geval van het Gemeentemuseum betekent dit dat de collectie van de stad Den Haag is. Zoals de plantsoenendienst geld krijgt om het groen van de stad te onderhouden, zo krijgt het museum subsidie om de collectie op verantwoorde manier te conserveren en presenteren aan een groot publiek. In het geval van het Gemeentemuseum betekent dit dat ongeveer 50 procent van de totale subsidie van de gemeente alleen al wordt gebruikt om de collectie van de gemeente Den Haag te verzorgen en het gebouw van Berlage in goede staat te houden. Het presenteren van de kunstwerken is hier nog niet eens in meegenomen.

De helft van de subsidie wordt dus gebruikt voor activiteiten waar geen direct economische gewin mee te behalen valt. Pas als de collectie gepresenteerd wordt komt er publiek, maar voor die activiteit is minder dan 25 procent van het totale subsidiebedrag beschikbaar. De overige ruim 25 procent is bedoeld voor activiteiten als educatie, maar ook tentoonstellingen, onderzoek etc. wordt daarvan bekostigd. Wat voor gevolgen bezuinigingen op subsidies ook hebben, zeker is dat met name het eigen bezit van de overheden – de kunstwerken – er onder zullen lijden.

Het mag duidelijk zijn dat subsidies niet zakken met geld zijn om musea te ondersteunen. De gelden zijn geoormerkt en musea kunnen niet lukraak doen wat hen belieft. Ze zijn terecht gedwongen zich doelgericht op hun taken te richten én daar ook verantwoording over af te leggen. Als juist wetenschappers de musea zo eendimensionaal blijven bekijken zal een cultureel klimaat maar moeilijk ontstaan. Het is dan ook goedkoop dat Van Klink en Van Witteloostuijn de PVV als schrikbeeld opvoeren terwijl ze zelf bijdragen aan een negatieve beeldvorming van een gezonde bedrijfsvoering.

Van Klink en Van Witteloostuijn pleiten ervoor dat de kunstinstellingen zelf meer inkomsten genereren. Interessant op dit punt is het in het artikel aangehaalde advies van de Commissie Cultuurprofijt. Deze commissie heeft in 2008 een advies uitgebracht aan minister vanuit de vraagstelling hoe de betrokkenheid tussen de cultuursector en andere maatschappelijke sectoren kan worden vergroot, met name ook in financiële zin. De mening van de Commissie Cultuurprofijt – die wordt gedeeld door Van Klink en Van Witteloosduijn – dat de cultuurwereld zelf meer geld moet generen, zal naar mijn mening weinig weerstand vinden in de museumwereld. Want bij een collectie van hoog niveau horen ook activiteiten van uitzonderlijke kwaliteit, of dat nu tentoonstellingen, publicaties of educatieve programma’s zijn. En op die vlakken kunnen de Nederlandse musea maar met moeite aan hun stand voldoen. De tentoonstelling Cézanne-Picasso-Mondriaan is daar een mooi voorbeeld van. Voor het eerst sinds meer dan vijftig jaar is er weer een tentoonstelling met werk van Cézanne in Nederland. Qua budget is het dan ook de duurste tentoonstelling van het Gemeentemuseum Den Haag van de afgelopen tien jaar. Zonder steun van hoofdsponsor Shell was het nooit gelukt. En de musea zijn hier van doordrongen. Extra inkomsten, bovenop de subsidies zijn daarbij absoluut noodzakelijk.

Bezoekersinkomsten zijn ontoereikend om te voldoen aan onze internationale status. Het bedrijfsleven begrijpt dit. Daarom is het advies van de Commissie Cultuurprofijt ook zo belangrijk. Want de rode draad in het advies is de bevinding dat wanneer de overheid zich terugtrekt als financier van kunst, het bedrijfsleven dat opengevallen gat niet wil dichten. Het bedrijfsleven is opvallend positief over cultuur, maar wil zeker niet het gevoel hebben dat ze voor een terugtrekkende overheid op moeten draaien. Daarom adviseert de Commissie dat musea die extra inkomsten genereren een extra beloning van de overheid krijgen. Juist dát is een gebaar waar het publiek van kan profiteren doordat de musea dan beter kunnen samenwerken met internationale topinstituten. En dat gebaar zal zeker door het bedrijfsleven gewaardeerd worden en hun overhalen zich ook meer in te zetten voor de culturele instellingen.

Benno Tempel is directeur van het Gemeentemuseum Den Haag

Discussieer mee op nrc.nl/expert

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie