Praten met Hamas is absolute noodzaak

Door Thomas von der Dunk

Het Westen bevindt zich niet meer in de positie om onvoorwaardelijk van alles te eisen, en dat is vooral aan de eigen westerse verblinding van de afgelopen twee decennia te wijten.

Ga niet praten met Hamas, zo luidt de onverstandige oproep van Alfred Pijpers (NRC Handelsblad, 16 november) naar aanleiding van een stuk van enige honderden deskundigen, waarin de Nederlandse regering opgeroepen werd dat wel te doen. Pijpers hoofdargumenten: dat legitimeert Hamas en speelt Iran in de kaart. Beide argumenten zijn juist. En beide zijn op zich onwenselijk. Maar tegelijk zijn beide ook volstrekt onvermijdelijk. Niet dat dat praten met beiden makkelijk zal zijn - maar er is geen alternatief. Ook de Sovjet-Unie 'verdiende geen steun'. Maar zij was er, en zij zou door niet-praten echt niet als machtsfactor verdwijnen. Dat maakt duidelijk, hoezeer Pijpers met zijn poging Hamas en Iran in een isolement te houden nog in de wereld van gisteren leeft en dus met de oplossingen van gisteren aan komt zetten.

Nog afgezien van de morele eenzijdigheid van Pijpers' eisen - waarom zou Hamas bijvoorbeeld vanwege een tiental vermoorde Israelische burgers in de Gazaoorlog onaanraakbaar zijn, en Israel vanwege een duizendtal toen vermoorde Palestijnse burgers niet? - bevindt het Westen zich intussen namelijk helemaal niet meer in de positie om onvoorwaardelijk van alles te eisen, en dat is vooral aan de eigen westerse verblinding van de afgelopen twee decennia te wijten. Door het wegvallen van de Sovjet-Unie als tegenkracht had in Washington de illusie postgevat dat men in het Midden-Oosten ook kon bepalen, door wie de tegenpartij zich zou moeten laten vertegenwoordigen: dat de Arabieren toch geen alternatief voor Amerika als machtige partner hadden, en dus Israël niet onder druk hoefde te worden gezet. Dus ook de illusie dat als de uitkomst van verkiezingen - i.c. de Palestijnse - ongewenst was, deze gewoon eventjes ongeldig kon worden verklaard. Na 1989 verkeerde Amerika inderdaad in die positie, maar die tijden zijn voorbij, en als het straks nog enige invloed in Azië uitoefenen wil, dan kan het niet langer met Israël als exclusief bevoorrechte bondgenoot tussen Rode Zee en Gele Zee volstaan.

Wie te laat komt, die wordt door het leven gestraft, zo hield Gorbatsjov terecht in oktober 1989 de verkalkte DDR-top voor, en hetzelfde geldt nu voor Amerika: Obama komt te laat, en dat maakt Pijpers inzetten op Abbas volkomen achterhaald. Om te beginnen moeten alle Hamashaters zich eindelijk eens gaan afvragen waarom Hamas de Palestijnse verkiezingen - de eerlijkste ooit in een Arabisch land gehouden - indertijd won en nu opnieuw zou winnen.

Die Hamaszege heeft twee oorzaken. De eerste, intern: Fatah is - net als alle andere 'westersgezinde' seculiere partijen het Midden-Oosten - volslagen corrupt en heeft zich vooral door de zelfverrijking van een kleine elite onderscheiden. Het heeft weinig aan de ontwikkeling van de bevolking in de eigen helft van Palestina gedaan, waar Hamas - net als de islamisten elders - door wèl te investeren in scholen en ziekenhuizen grote aanhang onder de bevolking weet te verwerven. En ten tweede, extern, heeft Abbas op het gebied van de zogenaamde vredesonderhandelingen dankzij de door Washington gedoog­de Israëlische starheid zijn eigen volk niets te bieden gehad, zodat hij nu door zijn eigen landgenoten als de buik­spreekpop van Netanya­hu wordt gezien. Elke nieuwe nederzetting van de huidige extreemrechtse regering in Jeruzalem, die de illegale Israelische landroof betonneert, is een nieuwe nagel aan Abbas' doodskist, en die is inmiddels dan ook al bijna dicht.

Dan Iran. Het door veel Israëlfans bejubelde Amerikaanse wegbombarde­ren van de twee grootste regionale tegenstanders van de theocraten in Teheran - de moderne seculiere dictatuur van Saddam Hoessein in Irak en het archaïsche Talibanbewind in Afghanistan - heeft als onvermijdelijke uitkomst gehad dat Iran nu vrijwel onomkeerbaar een regionale grootmacht is geworden, om wie niemand voor een oplossing in het Midden-Oosten meer heen kan. Daar komt bij dat de twee belangrijkste potentiële 'gematig­de' concurrenten van het sjiitische Iran, het autocratische soennitische Saoedi-Arabië en het dictatoriale Egypte, zich in de ogen van miljoenen moslims, voor wie de onderdrukking van de Palestijnen - terecht of onterecht - de morele maatstaf der dingen is, door hun nauwe band met het pro-israëlische Amerika elk gezag in moslimkring verloren hebben. Iran kan zich zo opwerpen als de 'onbaatzuchtige' belangenhartiger van al die miljoenen zich verne­derd voelende moslims, en reeds dat alleen maakt Iran tot een kracht waarom niemand heen kan: niet in Irak, niet in Afghanistan, en inmiddels - met dank aan de Amerikaanse en Israëlische kortzichtigheid - ook niet in het Onheilige Land.

Obama heeft met zijn rede in Caïro begin dit jaar veel goodwill in de islamitische wereld gekweekt, maar omdat op die mooie woorden geen concrete daden zijn gevolgd - doordat hij naliet Israël eenvoudigweg te dwingen zijn verkapte annexatiepolitiek per direct stop te zetten - is die goodwill inmiddels in nieuw cynisme verdampt. Over een paar decennia zullen historici vermoedelijk constateren dat, als aan deze huidige nalatigheid niet zeer snel een einde komt, dit de laatste kans voor Washing­ton is geweest om greep op de ontwikkelingen te houden, en dat het zijn invloedrijke positie heeft verspeeld.

In abstracto wordt inmiddels wel onderkend dat de exclusieve supermachtstatus van Amerika geschiedenis is en we een multipolaire wereld tegemoet kunnen zien, maar op concreet niveau zijn velen voor de consequenties daarvan nog volslagen blind. Anders dan in de jaren negentig, hebben de Arabische machthebbers namelijk voor Amerika als grootmachtpartner nu een alternatief: China. Dat land is al hard bezig met het succesvol econo­misch koloni­seren van Afrika en Azië, en Arabië zal, met het oog op een oliehongerige thuismarkt van een miljard mensen, spoedig volgen. De kredietcrisis heeft intussen niet alleen het westerse economische, politieke en maatschappelijke model wereldwijd in diskrediet gebracht, mede omdat de Amerikanen - op zich terecht - nu zelf de hand lichten met de strenge voorwaarden van privatisering en vermarkting die zij decennia lang via het IMF aan andere landen opdrongen. Zij heeft ook de financiële afhankelijkheid van Amerika van China gedemonstreerd, die inmiddels zo groot is, dat, als het straks tot een conflict rond Taiwan mocht komen, Washington Taipeh alleen maar militair kan bijstaan als Peking bereid is voor de beschieting van Shanghai te betalen. De bijna genante onderdanigheid waarmee Clinton en Obama bij hun bezoeken het thema mensenrechten omzeilden, spreekt boekdelen.

Meermalen is geconstateerd dat Obama nog weinig concreets heeft teruggekregen voor zijn openingen richting Latijns-Amerika, Iran, Rusland, China, etcetera. Dat is illustratief voor de zwakke positie van Amerika, moreel en materieel - en vormt de ronduit desastreuze erfenis van de arrogantie van Bush en consorten, wiens verkiezing en herverkiezing in 2001 en 2005 door toekomstige historici zonder twijfel als het meest rampzalige beschouwd zal worden, wat Amerika en het Westen sinds 1989 is overgekomen; aanmerkelijk rampzaliger ook dan 11 september. Het Westen zal straks namelijk steeds vaker gedwongen zijn om te kiezen, wat het het allerbelangrijkste vindt - omdat er anders door anderen voor het Westen gekozen zal worden. De kernmacht Iran? Dan is Rusland nodig, en dat betekent niet zeuren over Georgië. De vrijheid van Georgië? Dan kan men het aanpakken van een kernmacht Iran vergeten. Een overeenkonst inzake het klimaatprobleem of de kredietcrisis met Peking: dan zwijgen over Tibet. Blind achter Israël: bereid U maar voor op een verdriedubbeling van de benzineprijs, want China biedt mee. Alles tegelijk: dat kan niet meer.

Dat maakt praten met Hamas en Iran allang niet meer tot iets wat al of niet wenselijk zou zijn. Het maakt zulk praten tot een absolute noodzaak - voor anderen het in ónze plaats gaan doen, en daarmee in het Midden-Oosten uitkomsten creëren die ons nog minder aanstaan dan degene die thans nog mogelijk zijn.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie