Onderzoek naar moslimradicalisme is ook onafhankelijk onderzoek

Door Jean Tillie

De nieuwe hoogleraar ‘Islam in Europa’ Thijl Sunier wil onderzoek doen naar ‘gewone moslims’. Prima, maar hij hoeft onderzoek naar moslimradicalisme daarom nog niet weg te zetten als vooringenomen en afhankelijk.

Onder de kop ‘Islamonderzoeker is geen overheidsdienaar’ presenteert Sunier, de nieuwe hoogleraar ‘Islam in Europa’ aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, zijn onderzoeksagenda.

Hij wil onderzoek doen naar vormen van religiositeit die zich niet beperken tot moskeebezoek, naar de manier waarop ‘gewone’ moslims de islam inpassen in hun dagelijks leven en hij wil nieuwe vormen van islamitisch leiderschap bestuderen.

Dat is mooi. Nieuwe vormen van religiositeit, het dagelijks leven van moslims en islamitisch leiderschap zijn zeker waard om onderzocht te worden. Het is alleen jammer dat Sunier het nodig vindt om zijn eigen plannen af te zetten tegen onderzoekers die moslimradicalisme bestuderen.

Deze onderzoekers volgen in de visie van Sunier blindelings de overheid en ontwikkelen geen eigen onderzoeksagenda. Zij hebben een ‘wetenschappelijke blikvernauwing’ omdat zij zich volledig afhankelijk maken van de beleidsagenda van lokale en nationale overheden. Als coauteur van een onderzoek naar radicalisme onder Amsterdamse moslims (in opdracht van de gemeente Amsterdam), een onderzoek naar deradicaliseringsprocessen onder links-, rechts- en moslimradicalen (in opdracht van de Nationaal Coördinator Terrorisme Bestrijding) en als coördinator van het EURISLAM project (gefinancierd door de Europese Commissie) ben ik zo vrij om me aangesproken te voelen.

Sunier’s kritiek impliceert een zware beschuldiging, namelijk dat radicalismeonderzoek niet onafhankelijk is. Onafhankelijkheid is één van de kernwaarden van wetenschappelijk onderzoek. Dit wordt ook geïllustreerd door het feit dat in de gedragscode van de Vereniging van Nederlandse Universiteiten (VSNU) onafhankelijkheid een van de belangrijkste criteria is. Het is dan ook meer dan verbazingwekkend dat Sunier geen enkel argument voor zijn aanklacht aanvoert. Louter het feit dat men in opdracht van de overheid onderzoek doet naar moslimradicalisme, is voor hem genoeg om de onafhankelijkheid van onze studies ter discussie te stellen. Laat ik daarom een aantal punten duidelijk maken:

  • Sunier zal het met me eens zijn dat onderzoek naar politieke integratie en de werking van de multiculturele democratie belangrijk is. Dit onderzoek kan zich richten op de opkomst en het stemgedrag van moslims tijdens gemeenteraadsverkiezingen; op de mate waarin men zich met Nederland identificeert, op de mate waarin democratische normen en waarden worden onderschreven en, ja, ook op de mate waarin politieke integratie faalt en radicalisme en extremisme op de loer liggen. Radicalismeonderzoek maakt dus deel uit van een brede onderzoeksagenda naar de relatie tussen migratie en democratie. Een agenda die uitsluitend vanuit de wetenschappelijke, met name politicologische, gemeenschap zelf voortkomt. Het feit dat overheden hier ook in geïnteresseerd zijn doet daar niets aan af.
  • Het zal Sunier niet ontgaan zijn dat er op het gebied van moslimradicalisme en extremisme nogal wat gebeurd is in Nederland en in de wereld. Ook zal het hem niet ontgaan zijn dat een groot deel van de Nederlandse bevolking zich (meestal onterecht trouwens) zorgen maakt over de politieke integratie van moslims. Onderzoek hiernaar heeft dus een grote maatschappelijke relevantie. Vanuit de maatschappelijke verantwoordelijkheid van wetenschappers is het dus een fenomeen dat onderzocht dient te worden. Het is natuurlijk niet het enige onderwerp dat bestudeerd moet worden, maar dat lijkt me eigenlijk een open deur.
  • Wie onderzoek doet naar moslimradicalisme doet óók onderzoek naar moslims die niet radicaal zijn. Onze vaststelling in 2006 dat 2% van de Amsterdamse moslims gevoelig was voor radicalisering, betekent ook dat wij vaststelden dat 98% van de Amsterdamse moslims niet gevoelig is voor radicalisering en dus, in het jargon van Sunier, ‘gewone’ moslims zijn.

Het zou de nieuwe hoogleraar ‘Islam in Europa’ sieren als hij onderkent dat collega’s van hem ook een eigen onderzoeksagenda hebben, en dat het feit dat die soms in samenwerking met lokale en nationale overheden uitgevoerd wordt, niets zegt over de wetenschappelijke onafhankelijkheid van dat onderzoek. Het zou Sunier nog meer sieren als hij de presentatie van zijn eigen onderzoeksagenda niet afhankelijk maakt van de studies van andere islamonderzoekers.

Jean Tillie is bijzonder hoogleraar Electorale Politiek aan het instituut voor Migratie en Etnische Studies van de Universiteit van Amsterdam.

Discussieer mee op nrc.nl/expert

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie