Zet overheid niet buitenspel bij levensbeëindiging pasgeboren

Door Alex Bood

Normering voor levensbeëindiging van pasgeboren is mogelijk. Maar zolang artsen het onderling niet eens zijn, is adequate regulering een illusie. Een top down opgelegde regel werkt eenvoudigweg niet.

In NRC Handelsblad van 21 november (Opinie & Debat) betoogt oud kinderchirurg Jan Molenaar dat het beëindigen van het leven van een pasgeborene een zaak is van de ouders en de arts, waar politici en juristen buiten moeten blijven. Normen opstellen voor zulke beslissingen acht hij onmogelijk, want “dokters kunnen het onderling nooit eens worden over het moeilijke vraagstuk van behandelen of niet (meer) behandelen van het pasgeboren kind met levensbedreigende aangeboren afwijkingen.”

Het is cruciaal om in het debat over levensbeëindiging, anders dan Molenaar doet, een aantal zaken uit elkaar te houden. In de eerste plaats draait de discussie niet om het niet-instellen of staken van een levensverlengende behandeling. Dat is zogenaamd ‘normaal medisch handelen’ en hoeft niet bij de door Justitie en VWS ingestelde toetsingscommissie te worden gemeld. Die commissie is er alleen voor het actief toedienen van een dodelijk middel. Ten tweede is dit laatste niet zozeer controversieel als het kind binnen niet al te lange tijd zal overlijden, maar vooral als het levensvatbaar is en de levensbeëindiging berust op een oordeel over de kwaliteit van diens toekomstig leven.

Ook in een ander opzicht is de bijdrage van Molenaar een stap terug in de discussie. Twintig jaar geleden stonden artsen en (vooral confessionele) politici recht tegenover elkaar. Terwijl de politici vasthielden aan een vrijwel absolute handhaving van het strafrechtelijk verbod, zeiden (of dachten) de artsen: “bemoei je er niet mee”.

Dat stadium zijn we gelukkig grotendeels voorbij. Want tegenwoordig zien we, in de eerste plaats, in dat er met een adequate controle op levensbeëindiging ook altijd een publiek belang is gemoeid. Ouders en artsen mogen dan als eerste verantwoordelijk zijn voor een verantwoorde beslissing, ze zijn dat nooit als enige. Niet voor niets verplicht artikel 2 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens de overheid tot bescherming van ieders leven.

Artikel 2 EVRM biedt enige ruimte voor uitzonderingen op het strafrechtelijk verbod van levensbeëindiging, bijvoorbeeld als voortleven op geen enkele wijze in het belang van het kind kan worden geacht. Dan is vervolgens de vraag welke normen voor die uitzonderingen kunnen worden geformuleerd. Molenaars argument dat er voor unieke gevallen geen normen kunnen worden opgesteld, faalt. Normen zijn heel vaak bedoeld om een scala van unieke gevallen te regelen. Het is bovendien heel goed mogelijk normen te formuleren die aan de betrokkenen een zekere beoordelingsvrijheid laten (kijk naar de regulering van euthanasie).

Dat brengt ons bij een tweede inzicht dat de discussie van de afgelopen twintig jaar heeft opgeleverd: artsen moeten, als beroepsgroep, bij het formuleren van de normen een grote stem hebben. Er zijn twee belangrijke argumenten voor zulke regulering bottom up. Het eerste is dat artsen relatief veel kennis hebben van de omstandigheden waaronder de vraag naar levensbeëindiging zich soms opdringt en van de overwegingen die in dat kader relevant zijn. Daarbij voelen ze een bijzondere (waardevolle) verantwoordelijkheid en zijn ze jarenlang getraind om zorgvuldig met zulke complexe omstandigheden om te gaan. Het tweede argument is dat vrijwel geen enkele juridische regel effectief is zonder ‘lokale’ handhaving, in de vorm van sociale controle. Een top down opgelegd verbod werkt eenvoudigweg niet. Sociale controle op de medische werkvloer komt echter alleen tot stand als de medische beroepsgroep de te handhaven normen als legitiem ervaart.

Het formuleren van normen voor levensbeëindiging bij pasgeborenen is dus, binnen het kader dat onder meer uit art. 2 EVRM voortvloeit, in belangrijke mate een zaak van artsen, maar niet omdat het anderen “niet aangaat”. Daarom is de medische beroepsgroep nu aan zet. Zolang artsen het onderling echter niet eens zijn, is adequate regulering een illusie. Daar hebben ze zelf ook last van: tot die tijd zullen ze iedere keer dat ze het leven van een pasgeboren kind beëindigen, het fiat van de samenleving moeten missen.

Alex Bood is verbonden aan het Wetenschappelijk Bureau van het Openbaar Ministerie. Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven.

Reageer op nrc.nl/expert

Gepubliceerd in:
Opinie