Koninklijk Huis moet archieven openen

Door Egbert Dommering

Historicus Cees Fasseur stelt zich in zijn kritiek op het boek van Jort Kelder en Harry Veenendaal op als advocaat van koningin Beatrix.

De historicus Fasseur beticht op 17 december op de opiniepagina de journalist Kelder en de historicus Veenendaal die een boek schreven over de rol van prins Bernard in 1950 bij de militaire coup van Westerling in het juist onafhankelijke Indonesië, van ‘heilige onnozelheid’.

Hij heeft als enige historicus toegang gehad tot de Koninklijk Huisarchieven om over de ‘affaire Greet Hofmans’ te schrijven, wat heeft geresulteerd in het vorig jaar verschenen Juliana en Bernard. In dat boek houdt hij zich ook bezig met wat inmiddels de ‘affaire Duyff’ (de naam van het staflid van Bernard dat mogelijk de verbinding tussen Bernard en Westerling heeft gelegd) heet. Die affaire ‘ging als een nachtkaars’ uit, concludeert hij.

De stukken waar hij die conclusie op baseert hebben Kelder en Veenendaal niet kunnen zien. Zij moesten zich baseren op andere bronnen, buiten het archief. De historicus Giebels die in 2007 over de Hofmans affaire een boek schreef, liep tegen dezelfde muur op. Hij deed wel een poging om met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur (Wob) die toegang tot het archief af te dwingen, maar zonder succes. In een uitspraak van de Afdeling Bestuurrechtspraak van de Raad van State (waarvan de Koningin de voorzitter is), besliste de in deze hoogste rechters in 2006 dat de directeur van het Koninklijk Huisarchief geen bestuursorgaan in de zin van de Wob is. Later vonden de rechters dat ook van de Koningin zelf. In de beslissingen pasten de rechters een uiterst formalistische rechtsvinding toe, die – naar nu blijkt- niet heeft bijgedragen aan de oplossing van wat een steeds groter probleem wordt: de archieven van het Koninklijk Huis bevatten immers heel veel openbaar materiaal dat voor het onderzoek van de recente vaderlandse geschiedenis van steeds groter belang is, maar dat door een formele (mijns inziens aanvechtbare) rechterlijke beslissing buiten de openbaarheid wordt gehouden.

Fasseur, gerespecteerd historicus, is ook niet gebaat bij deze beperkingen. Hij moet nu terugvallen op het autoriteitsargument, waar de Engelse filosoof John Stuart Mill in zijn On Liberty uit 1859 al voor waarschuwde. Dat argument houdt in dat ook als een mening helemaal juist is, maar er geen mogelijkheid is de waarheid daarvan te testen (bijvoorbeeld door bronnenonderzoek), zij een dogma kan worden waardoor zij op den duur ook aan geloofwaardigheid kan verliezen. Fasseur’s stuk van 17 december is in wezen maar op een autoriteitsargument gebaseerd: ik heb de bronnen gezien en geconcludeerd dat het verhaal van Kelder en Veenendaal een indianenverhaal is, en u moet voorlopig maar op ‘mijn kompas zeilen.’ Maar wie na lezing van die autoriteitsopinie de passages in Bernard en Juliana over de affaire Duyff nog eens naleest, vraagt zich toch af of de conclusie dat deze ‘zaak als een nachtkaars uitging’ niet wat te vlot is getrokken. Kortom: een perfect voorbeeld van Mill’s stelling dat op zich zelf juiste meningen die niet ter discussie kunnen worden gesteld, dreigen hun geloofwaardigheid te verliezen.

Ook in een ander opzicht pakt de beperking verkeerd uit. De historici Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra kregen in 2006 toestemming om in de archieven van het Koninklijk Huis een onderzoek te doen naar de Willemen I-III. Toen zij in hun boek Voor de troon wordt niemand ongestraft geboren Willem III als een zonderling afschilderden, kwam hen dat op een openbare berisping van Hare Majesteit te staan. Daar behoeft de historicus Fasseur niet bevreesd voor te zijn. Misschien is zijn geschiedschrijving wel beter, maar toch komt de selectieve verontwaardiging van de vorstin bij het publiek over alsof er over het Koninklijk Huis alleen het Koninklijk Huis welgevallige geschiedenis mag worden geschreven.

En hoe het met de ministeriële verantwoordelijkheid van de Minister President bij dit soort kwesties zit, begrijpt niemand meer, zeker niet na de affaires rond de vakantiehuizen van Willem Alexander en Maxima.

De jurist Fasseur stelt zich aan het eind van zijn stuk plotseling op als de advocaat van de Koningin (wier moed hij prijst om het archief zonder enig voorbehoud aan hem ter beschikking te stellen). Hij stelt dat het Archief het persoonlijk eigendom van de Koningin is en dat wetswijziging om het openbaar te maken te ingewikkeld is. Toch is dat niet zo. Een wijziging van de Wet Openbaarheid Bestuur waarbij het doen en laten van het Koninklijk Huis expliciet onder de Wob worden gebracht is niet zo moeilijk. In wezen was dat ook de strekking van de ten onrechte niet uitgevoerde motie Kalshoven uit 2005, die door Fasseur in zijn stuk als ‘een slag in de lucht’ van de tafel wordt geveegd. Bij de toepassing van een aldus gewijzigde Wob is het heel goed mogelijk een scheiding te maken welke informatie die bij het Koninklijk Huis berust, openbaar behoort te zijn en welke privé.

Prof. mr. Egbert Dommering (1943) is hoogleraar informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam.

Gepubliceerd in:
Opinie