Zijn we vergeten dat verzoening al plaatsvond?
Het Nationaal Comité staat open voor een discussie over het karakter van 4 mei. Maar gooi niet zomaar het gedachtengoed van die dag weg.
Er worden bij de herdenking op de Dam geen officiële buitenlandse gasten uitgenodigd, niet uit de voormalig geallieerde landen zoals de Verenigde Staten, Engeland, Rusland, Polen, Canada of Australië en ook niet uit de voormalige bezettende mogendheden Duitsland en Japan. Dat is geen krampachtige opstelling, zoals mr. P. Scholten (Opiniepagina, 8 januari) stelt, maar het resultaat van een zorgvuldige afweging. Scholten wil graag als teken van verzoening de koningin samen met de president van de Bondsrepubliek een krans laten leggen bij de Dodenherdenking. Maar die verzoening is allang tot stand gekomen.
Duitsland toonde al in 1969 officieel zijn respect aan de Nederlandse oorlogsslachtoffers toen president Heinemann een krans bij het Nationaal Monument op de Dam legde. President Richard von Weizsäcker legde op 8 mei 1985 niet alleen een krans bij het Nationaal Monument, maar hield een indrukwekkende toespraak vol boetedoening. En in 2007 legde president Köhler een krans bij ‘De Verwoeste Stad’ in Rotterdam. Zijn we dat vergeten, of heeft dit dan helemaal geen betekenis gehad? Moet elke generatie opnieuw weer haar eigen verzoening tot stand brengen met een geschiedenis waar zij zelf geen deel meer van heeft uitgemaakt?
De herdenking van de Slag om Arnhem, zoals oud-burgemeester Scholten die graag had willen organiseren in 1994, is onvergelijkbaar met de Nationale Herdenking. Bij de Slag om Arnhem stonden nazi-Duitsland en de geallieerden tegenover elkaar. Bij de herdenking van dat specifieke feit ligt het zelfs voor de hand om ook Duitsland - naast geallieerden - uit te nodigen. Het Comité heeft altijd op het standpunt gestaan dat bij herdenkingen van specifieke gebeurtenissen een internationale aanwezigheid mogelijk moet zijn.
Maar welk signaal zou er uitgaan van een aanwezigheid van slechts een Duitse president of ambassadeur op 4 mei op de Dam, naar bijvoorbeeld de nabestaanden van de slachtoffers die in voormalig Nederlands-Indië zijn omgekomen tijdens de Tweede Wereldoorlog? Of naar de geallieerde landen? De Nationale Herdenking kent een breder kader dan uitsluitend het conflict tussen Nederland en Duitsland tijdens WO II. Wie het daar niet mee eens is, mag gerust de discussie aanzwengelen. Maar het lijkt verstandig om niet zonder meer het gedachtengoed van de herdenking, waar een grote differentiatie aan herinneringen aan omgekomen landgenoten bijeen komen, over boord te zetten. Dat daarbij ook de oorlogsslachtoffers van na WO II worden herdacht, is overigens niet door het Nationaal Comité bepaald, daarvoor is al in de jaren zestig gekozen. Dit uitgangspunt voor de herdenking vormde onderdeel van de opdracht aan het Nationaal Comité dat pas in 1987 door de regering is ingesteld.
Natuurlijk stelt het Nationaal Comité zich ook met regelmaat de vraag of de nationale benadering gehandhaafd moet worden. Bovendien brengt iedere generatiewisseling nieuwe vragen mee over hoe we de herdenking van onze doden passend bij de geest van de tijd vorm moeten geven. Voor die vraag en dat gesprek staat het Comité volledig open.
Nine Nooter is directeur van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.
De Dodenherdenking in Amsterdam moet een internationaler karakter krijgen. Dat vindt Jan Franssen, vicevoorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.
„Ik kan me voorstellen dat door de Nederlandse deelname aan internationale missies en de slachtoffers die daaruit voortkomen, het internationale accent op een gegeven moment zwaarder wordt”, aldus Franssen. „We zouden het inhoudelijke karakter van de herdenking dan zichtbaar moeten verbreden.” Het comité start daarom een maatschappelijk debat over het karakter van de herdenking.
Aan 4 mei 2010, 65 jaar na het einde van WO II, zal niets veranderen, maar toekomstige herdenkingen krijgen waarschijnlijk een ander karakter. Franssen: „Er komt in de komende jaren een generatiewisseling met mensen die na de oorlog geboren zijn en waardoor een andere periode denkbaar wordt.”
