Rotterdam is gebaat bij een grote partij in de oppositie

Door Ruud Koole

De Britse premier heeft voor 6 mei verkiezingen aangekondigd. Het zou heel goed kunnen dat die als resultaat een ‘hung parliament’ opleveren: geen enkele partij behaalt een absolute meerderheid in het Britse Lagerhuis en dan is de kans groot dat ook in Groot-Britannië voor het eerst sinds lange tijd een coalitieregering gevormd zal worden.

De meest onwaarschijnlijke coalitie is die van Labour en de Conservaties. Veel eerder moet dan gedacht worden aan een combinatie van de kleinere Liberal-Democrats met één van de twee grote partijen. Niemand zal dan zeggen dat de wens van de kiezers is genegeerd, omdat Labour en de Conservatives niet samen in een coalitie gaan zitten.

Toch is dat de redenering die de politicoloog Van Schendelen hanteert, maar dan voor de situatie in Rotterdam (NRC/Handelsblad, 6 april 2010). Slechts de deelname van de twee grootste partijen, de PvdA en Leefbaar Rotterdam, aan het Rotterdamse college zou recht doen aan de wens van de kiezer. Maar waarom eigenlijk?

Ook ‘verkenner’ Pieter Winsemius had liever een brede coalitie gehad van Leefbaar, PvdA, D66, VVD en CDA, maar hij zag een coalitie van PvdA plus drie kleinere partijen CDA, D66 en VVD als de ‘haalbaarste’. Aan die laatste coalitie wordt nu door informateur Hans Smits gewerkt. Van Schendelen vindt dat maar niets. Hij laakt de opstelling van de PvdA, omdat die partij niet met Leefbaar Rotterdam wil samenwerken. Een breed college zou het beste voor de stad zijn, vooral vanwege de stabiliteit die een dergelijke coalitie met zich mee zou brengen. Wie kan tegen zo´n democratische uitkomst zijn gekant?, vraagt Van Schendelen zich af.

Juist vanuit democratisch oogpunt zijn daar echter de nodige kanttekeningen bij te maken. De PvdA heeft vóór de raadsverkiezingen al gezegd om inhoudelijke redenen niet met Leefbaar samen te willen werken. De PvdA werd vervolgens, zij het nipt, de grootste partij. Het zou heel vreemd zijn om na de verkiezingen zomaar terug te komen op dat standpunt. Belangrijker nog is dat de democratie in een grote stad als Rotterdam behoefte heeft aan een constructieve, maar vitale oppositie. Een situatie waarin geen grote partij zich in de oppositie bevindt, is theoretisch mogelijk, maar is op de lange duur geen bijdrage aan een levendige democratie. Het verwijt van ‘één pot nat’, waardoor kiezers niets te kiezen hebben, ligt op de loer wanneer de twee grootste tegenstrevers in één college gaan zitten. Bij het politiek metier hoort niet alleen het overbruggen van verschillen waar mogelijk, maar ook het op een geloofwaardige wijze presenteren van verschillen van opvatting. Veel valt te zeggen voor een situatie waarin één van de twee grote partijen vanuit de oppositie op constructieve wijze laat zien dat er alternatieven zijn voor het collegebeleid. Over vier jaar kunnen de kiezers dan een keuze maken. Bovendien wordt de stabiliteit niet gediend wanneer de twee grote partijen binnen één coalitie toch zullen proberen zich van elkaar te onderscheiden om het verwijt van ‘één pot nat’ te voorkomen.

Omdat Van Schendelen een tamelijk bestuurlijk-technocratische invalshoek hanteert, kan hij niet anders dan de verklaring van de opstelling van de PvdA elders te zoeken. Die zou liggen in de interne verhoudingen in die partij. De positie van PvdA-voorman Dominic Schrijer zou kwetsbaar zijn, omdat veel raadsleden met voorkeurstemmen zijn gekozen, daarmee een eigen machtsbasis hebben en zich dus weinig van Schrijer hoeven aan te trekken. Acht van die raadsleden zijn van allochtone afkomst en juist zij zouden tegen samenwerking met Leefbaar Rotterdam zijn.

Hier wordt wel erg veel gespeculeerd dat je bijna een eigen politieke agenda van Van Schendelen zou gaan vermoeden. Natuurlijk kan men daar een andere opvatting over hebben, maar Schrijer zelf heeft zich al in december 2009 duidelijk tegen mogelijke samenwerking met LR uitgesproken, lang voordat raadsleden met voorkeurstemmen werden verkozen. De allochtone achtergrond van raadsleden wordt hier met de haren bijgesleept. Ook de verwijzing van Van Schendelen naar Job Cohen en Ahmed Aboutaleb roept vraagtekens op. Het ‘landelijke bestuur van Job Cohen, dé pleitbezorger van insluiting’ zou gelaten toekijken. Nu bestaat er helemaal geen landelijke bestuur van Cohen. Die is tot aan het PvdA-congres van eind april slechts kandidaat-lijsttrekker. Maar wezenlijker is dat Van Schendelen Cohen’s pleidooi van insluiting van mensen in de samenleving verwart met het opnemen van partijen in een coalitie. Dat zijn twee geheel verschillende zaken. Het is heel goed mogelijk om op te komen voor insluiting van mensen in de samenleving door je inhoudelijk te verzetten tegen partijen die juist een wij/zij-denken propageren. En de suggestie dat burgemeester Aboutaleb nu de sleutel in handen zou hebben om de door Van Schendelen gepropageerde brede coalitie te bewerkstelligen, miskent de huidige positie van de burgemeester en kan gemakkelijk uitgelegd worden als een poging om Aboutaleb te beschadigen. Immers, het uitblijven van een brede coalitie kan in die redenering de burgemeester worden verweten. Een krachtige, vitale democratie in Rotterdam heeft weinig te winnen met dergelijke tamelijk speculatieve suggesties.

Ruud Koole is hoogleraar politicologie aan de Universiteit Leiden

Reageer op nrc.nl/opinieblog

Gepubliceerd in:
Opinie