Het toezicht op Nederlandse pensioenfondsen is rigide

Door Gerard Heeres

Pensioenregelingen lopen terug door strikte regelgeving. Dat is een ongewenst effect van strenger toezicht. Geef sociale partners daarom meer invloed in het ontwerp van pensioenen en school de toezichthouders bij.

In NRC Handelsblad van 12 april is door Sweder van Wijnbergen een aanzet gegeven om het toezicht van De Nederlandsche Bank en de overheid op pensioenfondsen ter discussie te stellen. Zijn stelling is dat De Nederlandsche Bank en de overheid tekort schieten in begrip voor de dynamiek op de financiële markten en dat met betrekking tot pensioenfondsen niet adequaat wordt gereageerd.

Hij is gelukkig niet de enige. Ook de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) in Parijs heeft eind vorig jaar een aantal belangrijke aanbevelingen gedaan ten behoeve van de pensioenwereld. Alvorens daarop in te gaan begint de OESO met een veelzeggend verhaal.

Gesteld wordt dat de laatste jaren de rol van Defined Benefit regelingen (pensioenregelingen zoals in Nederland, eindloon, middelloon, etc.) in verschillende landen is afgenomen. Als voorbeeld wordt genoemd Groot Brittannië, een Defined Benefit land van oudsher, waar 90 procent van alle DB-pensioenregelingen voor nieuwkomers zijn gesloten; een aflopende zaak dus! De belangrijkste redenen van deze dramatische terugval zijn de strikte funding-regels en accounting-standards. Inmiddels is men wel begonnen de regels wat te versoepelen, maar wat niet meer is komt nooit meer terug. Tegelijkertijd zegt de OESO dat de toekomst van pensioenregelingen bij Defined Contribution ligt (Defined Contribution is te vergelijken met een beschikbare premieregeling).

De uitkomsten van deze regelingen echter, zegt de OESO, zijn door de financiële crisis niet rooskleurig. Met andere woorden, denk goed na voordat je een mooi systeem weggooit ten behoeve van een veel slechter alternatief. In Nederland wordt voor slechts 3 à 4 procent van de werknemers een DC-regeling toegepast. DC-regelingen zijn niet populair omdat het risico volledig bij de werknemer ligt; tegen de tijd dat je met pensioen gaat moet er immers wel voldoende geld in je eigen potje zitten, want anders is het doorwerken geblazen.

Nu dan de aanbevelingen van de OESO:

Aanbeveling 1: Vermijd een te groot vertrouwen op marktwaardering met name voor de verplichtingen.

Pensioenfondsen kenmerken zich door verplichtingen op langere termijn. De Nederlandsche Bank schrijft voor hoe die verplichtingen moeten worden gewaardeerd, de zogenaamde rentetermijnstructuur met een looptijd van 60 jaar. De rentetermijnstructuur wordt gebruikt bij het berekenen van de voorziening pensioenverplichtingen om te anticiperen op toekomstige opbrengsten uit beleggingen. Elke maand wordt deze rentetemijnstructuur aangepast aan de actuele rente. Nu doet zich met de hoogte van de rentetermijnstructuur iets merkwaardigs voor: deze begint bij 1,5 procent, loopt op naar 4 procent in jaar 15 en daalt daarna vervolgens tot 3,5 procent in jaar 60.

Wie een hypotheek afsluit is gewend om meer te betalen naarmate de looptijd toeneemt, in dit geval dus niet. Dit staat overigens nog los van de vraag of er wel een rente met een looptijd van 60 jaar bestaat, het is immers een theoretische constructie. De consequenties zijn groot: 1 procent verschil staat toch al gauw gelijk aan 20 procentpunten dekkingsgraad.

Maar dit is nog niet het einde van de gedachtespinsels als daarbij betrokken worden de inflatieverwachtingen voor de komende 60 jaar; immers, de toezichthouders willen in plaats van een nominale naar een reële dekkingsgraad, inclusief dus compensatie voor de inflatie om de koopkracht op peil te houden. Ook hier geldt weer dat één procent verschil circa twintig procentpunten dekkingsgraad uitmaakt. Het moge duidelijk zijn dat de schommelingen in de dekkingsgraad hierdoor nog veel groter worden en de kans op indexatie heel veel jaren moet worden vergeten. De OESO waarschuwt Nederland door te zeggen: “The Dutch regulations is the first and up to now only one to fully apply the fair value principle in regulating pension funds.”

Aanbeveling 2: Vermijd de tekortkomingen van kwantitatieve modellen, die in het bijzonder proberen de risico’s in kaart te brengen.

De OESO zegt dat te veel leunen op dit soort modellen juist in tijden van grote turbulentie tot procyclisch gedrag kan leiden. De kans op procyclisch gedrag is naar de mening van de OESO het grootst als er, zoals in Nederland, ook nog een combinatie is met strikte toepassing van fair value van de verplichtingen. Modellen kunnen geen zekerheid geven, evenals het Financieel Toetsingskader schijnzekerheid geeft.

Aanbeveling 3: Moedig het vormen van buffers aan in goede economische tijden.

Deze aanbeveling spreekt voor zich, maar wordt helaas in de praktijk niet toegepast. Het premievolume bijvoorbeeld is de laatste jaren, geheel onafhankelijk van de conjunctuur, aanzienlijk toegenomen, van E9 miljard in 1998 naar 25 miljard in 2010. Ook werkgevers hebben in economisch slechte tijden nog weinig appetijt in verhoging van de premies dan wel doteringen aan het pensioenfonds, een natuurlijk maximum lijkt te zijn bereikt.

Aanbeveling 4: Vermijd overregulering en handhaaf een stabiele regelomgeving.

De OESO zegt dat de sponsors van pensioenfondsen, werkgevers en werknemers, stabiliteit in de regelgeving willen, de kosten voorspelbaar moeten zijn, de volatiliteit begrensd en vooral moet het gehele systeem transparant en uitlegbaar blijven. DB-pensioenregelingen in Nederland zijn complex en hebben alleen maar de neiging complexer te worden. Vooral werkgevers zijn beducht voor consequenties van de regelgeving voor hun Balans en Verlies en Winstrekening. Een goed voorbeeld hiervoor zijn de gevolgen van de (internationale) accountingregels met betrekking tot pensioenen in de jaarrekening van de onderneming. Eén van de redenen dat er in Nederland een overgang te zien is naar zogenaamde CDC–regelingen (Collectieve Defined Contribution, het risico ligt volledig bij het pensioenfonds, de werkgever betaalt alleen een vaste premie) heeft hiermee te maken. Het ontwerp van de pensioenregeling wordt dan niet meer bepaald door de bedoeling van sociale partners maar door regelgeving van buiten.

Kortom: de aanbevelingen van de OESO zijn helder, zijn in het bijzonder op de Nederlandse situatie van toepassing en moeten ter harte worden genomen. Als wij vinden dat wij het beste pensioensysteem in de wereld hebben dan moeten we daar ook zorgvuldig mee omgaan. Noblesse oblige.

Gerard Heeres is vertegenwoordiger van BIAC (Business and Industry Advisory Committee in Parijs, Werkgeverslobby OESO) bij de pensioencommissie van de OESO. Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven.

Discussieer mee op nrc.nl/opinieblog

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Opinie