AIVD kan niet zomaar naar het buitenland
Gaat de AIVD straks mensen elimineren? Een veiligheidsdienst opereert in het buitenland wat anders dan hier.
In zijn nieuwe jaarverslag kondigt Gerard Bouman, hoofd van de AIVD, aan om voortaan meer nadruk te leggen op het buitenlandse inlichtingenwerk. Het lijkt een logische stap in een tijd van transnationale dreigingen, maar het is de vraag of de consequenties daarvan voldoende zijn doordacht.
In 1994 hief toenmalig premier Lubbers de kleine Inlichtingendienst Buitenland op. De IDB had sinds 1946 bestaan. In het boek Villa Maarheeze, dat ik samen met Cees Wiebes in 1998 publiceerde, noemden wij het onbegrijpelijk dat een zichzelf respecterende staat zonder zo’n buitenlandse inlichtingendienst zou bestaan.
In 2002 werd een nieuwe wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van kracht, waarbij de AIVD in het leven werd geroepen. Deze dienst omvatte niet alleen de oude BVD, maar kreeg ook een inlichtingentaak, zoals voorheen de IDB die had vervuld. Aanvankelijk leek die inlichtingentak een ondergeschoven kindje, ondergeschikt aan de binnenlandse veiligheidstaak. Tot deze maand. Door de presentatie ontstond zelfs de indruk dat de buitenlandse inlichtingentaak nu het zwaartepunt van de werkzaamheden van de AIVD wordt.
Is dit een goede ontwikkeling? Op zich is een inlichtingendienst nodig die zich richt op het buitenland. Maar binnenlandse dienst uitbreiden naar het buitenland is niet zo eenvoudig. De mindset en de cultuur van medewerkers van een binnenlandse veiligheidsdienst en inlichtingendienst verschillen enorm van die voor het buitenland. De één is defensief gericht, de ander offensief, met alle consequenties van dien. Een veiligheidsdienst die actief is in Nederland, is gebonden aan andere ethische en juridische normen dan een agent of medewerker van een Nederlandse inlichtingendienst die opereert in Afghanistan-Pakistan of Somalië-Jemen. Inlichtingendiensten die gebonden zijn aan hetzelfde normatieve kader als de veiligheidsdienst van het eigen thuisland, dat een democratische rechtsstaat is en gekenmerkt wordt door bureaucratische verantwoording, zijn ineffectief. Omgekeerd zou men niet willen dat de ‘cowboy’-praktijken die in Verweggistan worden gehanteerd, norm zouden worden voor het optreden van de binnenlandse veiligheidsdienst.
Onderbrenging van beide taken bij één en dezelfde dienst kan niet alleen leiden tot verwaarlozing van een van beide taken, maar ook tot wederzijdse ‘besmetting’. Het gebruik van de term ‘forward defence’ ter rechtvaardiging van de nieuwe aanpak suggereert helaas dat het onderscheid tussen de offensieve en de defensieve taak van de dienst vervaagt.
Op zich zou er niets op tegen zijn om de situatie zoals die tot 1994 bestond in ere te herstellen, dat wil zeggen een aparte binnenlandse veiligheidsdienst en een afzonderlijke inlichtingendienst voor het buitenland. Dat er als gevolg van het naast elkaar bestaan van enkele diensten (er is ook nog de MIVD, de militaire inlichtingen- en veiligheidsdienst) enige redundantie ontstaat is geen nadeel, maar juist een voorwaarde voor een goed functioneren van de diensten – concurrentie houdt scherp en diensten hebben niet altijd een monopolie op kennis.
De vraag is waarom de AIVD juist nu met deze koersverandering komt. Het was logisch als daar in 2002 mee was begonnen, in plaats van in 2010, nu de dreigingsanalyses aangeven dat het gevaar voor Nederland vermindert. Is de oorzaak wellicht dat de AIVD, die de afgelopen jaren verdrievoudigd is in personele omvang, bezuinigingen vreest? De dienst dreigt nu bovendien via de band van contraterrorisme te gaan concurreren met de MIVD, die krachtens de wet het primaat in crisisgebieden heeft. De antecedenten van de MIVD op geheime operaties overtreffen dan ook die van de AIVD.
Hoe capabel is de AIVD trouwens voor human intelligence-operaties in het buitenland? Het rekruteren van agenten vergt veel tijd. Kennis van lokale talen, culturen en religies zijn vereisten die vaak niet op stel en sprong aanwezig zijn. In tijden waarin alles en iedereen ‘gegoogled’ wordt, is de opbouw van een dekmantel een kwestie van lange adem. Dat besef lijkt bij de dienst niet steeds aanwezig, omdat de AIVD op speciaal verzoek van het ministerie van Buitenlandse Zaken ook zogeheten ‘quick-response’-operaties uitvoert in landen die niet bovenaan de prioriteitenlijst staan. Die prioriteitenlijst heet geheim te zijn, maar de AIVD noemt voortdurend Afghanistan, Pakistan, Jemen en Somalië. Terroristenkampen zouden daar moeten worden opgespoord en met behulp van de lokale autoriteiten ontmanteld. Daar trekt de AIVD wel een heel grote broek aan, want zelfs grote broer CIA is daarin nauwelijks geslaagd.
Een Nederlandse inlichtingendienst zal nooit kunnen concurreren met grotere diensten als de Britse of de Amerikaanse. Dat vereist bescheiden ambities en een zorgvuldig verwachtingenmanagement, een zaak waar in 2004 de commissie-Havermans de AIVD en de verantwoordelijke bewindslieden al op wees. Maar Bouman schijnt de verwachtingen eerder op te blazen dan te dempen. Wel schermt hij met een zogeheten landenverdeling met buitenlandse zusterdiensten, maar de landen die hij noemt lijken per definitie de aandacht te hebben van tal van andere westerse diensten.
Ook ethische en juridische kwesties laat de AIVD onbesproken. Wat doet de AIVD als de lokale overheid niet wil of kan meewerken om terrorisme of proliferatie tegen te gaan? Als de AIVD zegt samen te werken met 180 buitenlandse diensten, hoe acceptabel is die samenwerking dan vanuit ethisch en juridisch oogpunt? Als de AIVD in terroristische groepen of prolifererende staten wil penetreren of informanten werven, hoe vuil mogen de handen van zulke agenten dan zijn? Is of wordt daarvoor een gedragscode ontwikkeld?
Het lijken allemaal kwesties die niet uitsluitend aan de AIVD mogen worden overgelaten. De politiek zou hierover een besluit moeten nemen, waarbij de verwachte voordelen worden afgewogen tegen de nadelen. Uiteindelijk blijft zij verantwoordelijk en niet een dienst die op zoek is naar werk.
Bob de Graaff is hoogleraar aan de Universiteit Utrecht met als specialisatie intelligence en nationale veiligheid.
