Telewerken: de hoogste tijd voor een wettelijke regeling

Door Bart de Vroe

Vrijwel iedereen onderkent de voordelen van telewerken. Maar er is nog steeds geen wettelijke regeling voor mensen die vanuit huis of elders kantoorwerkzaamheden willen doen.

Het verschijnsel 'Telewerken' staat al enige tijd ruim in de belangstelling en wordt gezien als oplossing voor allerlei problemen. Zo ook in het hoofdredactioneel commentaar van deze krant van 25 maart 2010. Daarin wordt een recent onderzoek van Capgemini aangehaald waarin wordt becijferd dat de overheid de komende tien jaar 7,5 miljard euro kan bezuinigen als ambtenaren een kwart van de tijd thuis gaan werken.

Op 30 maart 2010 verscheen het rapport van de Taskfoce DeeltijdPlus onder leiding van kandidaat-Kamerlid voor D66 Pia Dijkstra, die eveneens een warm pleidooi houdt voor werken ‘op afstand’ vanuit huis of een satellietkantoor. De conclusies van de Taskforce worden in een tweede hoofdredactioneel commentaar van 31 maart 2010 onderschreven.

De belangstelling voor telewerken is niet nieuw. Zo heeft de Internationale Arbeidsconferentie al in 1996 een verdrag over dit onderwerp aangenomen. Op Europees niveau is het op initiatief van de Europese Commissie gekomen tot een raamovereenkomst ter bevordering van het telewerken. En in Nederland heeft VNO-NCW in 2007 al eens gevraagd om de faciliteiten voor telewerken fiscaal meer te stimuleren. In januari 2008 is in opdracht van de FNV een rapport geschreven, waarin is onderzocht in hoeverre telewerken nu daadwerkelijk is doorgedrongen tot de werkvloer. In september 2008 verscheen een rapport over mobiliteitsmanagement van de Commissie De Waal met input van de Stichting van de arbeid. Kort daarna, op 7 januari 2009 publiceerde het CBS de meest recente cijfers rondom telewerken. Daaruit kwam naar voren dat telewerken in zwang raakt en duidelijk in een behoefte voorziet.

Iedereen lijkt het er dus over eens dat telewerken de toekomst heeft. Tegelijkertijd wil de echte doorbraak maar niet komen en is een groot aantal werkgevers nog altijd niet bereid telewerken toe te staan. Afspraken worden nog steeds gemaakt op basis van vrijwilligheid. De regering heeft in 2008 zelfs expliciet bevestigd niet voornemens te zijn dit onderwerp wettelijk te regelen en wil het overlaten aan de sociale partners. En in deze vrijblijvendheid zit nu juist de reden waarom telewerken niet van de grond zal komen.

Er is meer dan genoeg gesproken, vergaderd, gepeild en onderzocht met betrekking tot telewerken om te kunnen concluderen dat het in een behoefte voorziet om zorgtaken en kinderopvang beter te kunnen regelen, dat het de arbeidsparticipatie kan bevorderen, aanzienlijke bezuinigingen oplevert en een verlichting van de filedruk. Nu de markt het blijkbaar niet geregeld krijgt, ligt er een taak voor de overheid om met wettelijke maatregelen telewerk te stimuleren en faciliteren. Een wettelijke regeling klinkt overigens ingrijpender dan het is. Daarbij zou ik het voorbeeld van het wettelijk recht op aanpassing van de arbeidsduur willen aanhalen. Dit onderwerp kent een soortgelijke stroperige geschiedenis. Maar sinds het in 2000 wettelijk is geregeld heeft een werknemer de mogelijkheid om in deeltijd te werken tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Naar mijn mening is een wettelijke regeling met betrekking tot telewerken een minder vergaande ‘aantasting’ van de arbeidsovereenkomst dan de aanpassing in arbeidsduur. Net als bij het recht op deeltijd zou het recht op telewerken slechts kunnen worden ontzegd met eenzelfde beroep op zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Natuurlijk moeten de werkzaamheden zich ervoor lenen, een beroep als loodgieter of kraanmachinist lijkt minder voor de hand te liggen. Ook zou het zo moeten zijn dat het recht vervalt indien moet worden geconstateerd dat het niet werkt. GroenLinks heeft begin 2009 een initiatief wetsvoorstel aangeboden aan de minister. De status ervan is onduidelijk maar in grote lijnen kan dit wetsvoorstel zo worden afgestoft. Dit initiatiefwetsvoorstel voorziet in een thuiswerkrecht van maximaal een dag per week en niet meer dan 25 procent van de arbeidsduur per week.

Ik ben er voor om het recht niet te veel te beperken, meerdere ochtenden per week telewerken om de files te omzeilen zou mogelijk moeten zijn. Wel moet aandacht worden besteed aan bijvoorbeeld arbo- en aansprakelijkheidswetgeving en worden geregeld hoe de inrichting van de telewerkplek eruit dient te zien en wiens verantwoordelijkheid dit is. De telewerkplek zal zich immers doorgaans onttrekken aan de invloedssfeer van de werkgever, zodat het niet redelijk is om hem wel (onverkort) aansprakelijk te achten voor arbeidsongeschiktheid opgelopen tijdens het telewerken. Ook aan privacyaspecten zal aandacht moeten worden besteed al was het maar omdat telewerken veelal zal geschieden met behulp van ICT-faciliteiten die de werkgever veelal in staat zal stellen de handel en wandel van zijn werknemer nauwlettend te volgen. Praktische afspraken en beroeps- c.q. bedrijfseigen kenmerken kunnen veelal worden overgelaten aan werkgever en diens ondernemingsraad. Immers, een thuiswerkregeling zal instemming behoeven van de ondernemingsraad.

Al met al zijn er voldoende argumenten om de steun voor telewerken vanuit de overheid zoals het hoofdredactioneel commentaar opperde, veel concreter handen en voeten te geven en een wettelijke regeling in het leven te roepen langs de lijnen van de Wet aanpassing arbeidsduur, die telewerken op korte termijn de gewenste vlucht doet nemen.

L.J. de Vroe is advocaat te Amsterdam

Discussieer mee op nrc.nl/opinieblog

Gepubliceerd in:
Opinie