Is het korten op pensioenrechten juridisch onvermijdelijk?
Pensioenfondsen in onderdekking moeten mogelijk per 1 januari 2011 overgaan tot korten. Dit is het gevolg van het besluit om deze uiterste datum in de uitvoeringsregeling van de Pensioenwet op te nemen. De vraag is of het korten op pensioenaanspraken juridisch onvermijdelijk is.
Het korten op pensioenaanspraken en pensioenrechten is in de Pensioenwet opgenomen als laatste middel dat een pensioenfonds kan gebruiken om een tekort op het vereiste eigen vermogen weg te werken. De Pensioenwet schrijft voor dat een pensioenfonds over een minimaal vereist eigen vermogen moet beschikken. Wanneer het minimaal vereist eigen vermogen niet meer aanwezig is, moet het pensioenfonds bij De Nederlandsche Bank een korte termijnherstelplan indienen.
Dat herstelplan moet volgens de Pensioenwet beschrijven hoe het pensioenfonds na uiterlijk drie jaar weer over voldoende vermogen zal beschikken. Het herstellen van het vermogen kan met name worden gerealiseerd door voldoende beleggingsrendementen of door bijstortingen door de werkgever. Als deze middelen niet voor voldoende herstel zorgen, zal het pensioenfonds echter uiteindelijk een korting op de pensioenen moeten doorvoeren.
In de uitzonderlijke situatie van de crisis op de financiële markten, toen 340 van de ruim 600 pensioenfondsen een herstelplan hebben ingediend, heeft minister Donner de hersteltermijn in 2009 van drie naar vijf jaar verlengd. Het korten op pensioenen zou daardoor tot uiterlijk 1 april 2012 kunnen worden uitgesteld. Hierdoor hadden pensioenfondsen meer tijd om het eigen vermogen te herstellen. De verlenging van de hersteltermijn naar vijf jaar vond wel plaats onder de uitdrukkelijk gestelde voorwaarde dat bij het pensioenfonds ook voldoende herstel van het eigen vermogen zichtbaar zou zijn.
De minister had echter direct in zijn besluit over de termijnverlenging al uitdrukkelijk bepaald dat de korting al per 1 augustus 2010 doorgevoerd zou moeten worden bij die pensioenfondsen waar onvoldoende herstel van het eigen vermogen was opgetreden. Op advies van De Nederlandsche Bank heeft minister Donner nu geoordeeld dat het uitstellen van kortingsmaatregelen tot 2012 niet langer verantwoord is. Dat zou recht toe recht aan betekenen dat de fondsen die dit betreft per 1 augustus 2010 tot korting hadden moeten overgaan, maar de minister heeft een ‘ extra uitstel van 5 maanden verleend’, zoals de minister het noemt, en de uiterste datum van korting op 1 januari 2011 gesteld. Dit wil nog niet zeggen dat korting bij de fondsen noodzakelijk zal plaatsvinden. Het is mogelijk dat het eigen vermogen zich op andere wijze hersteld, zoals door beleggingen of bijstorting door de werkgever. Gezien de korte resterende tijd hoeft echter niet veel van beleggingsrendement verwacht te worden. Bijstorting door de werkgever zal bij de fondsen die het betreft niet mogelijk zijn, omdat de werkgever zich daartoe in de overeenkomst met het pensioenfonds niet heeft verplicht.
De afgelopen jaren is er een duidelijke tendens dat een werkgever zich alleen nog maar bindt tot het betalen van vaste vooraf bepaalde premie aan het pensioenfonds, waardoor het verdere financiële risico bij het pensioenfonds en dus uiteindelijk bij de pensioenaanspraakgerechtigden komt te liggen.
Dat het eigen vermogen van de pensioenfondsen zich onvoldoende heeft hersteld komt deels doordat het tempo van het economisch herstel achterblijft bij de verwachtingen, alsmede door de gestegen verwachtingen omtrent de levensduur waardoor de pensioenverplichtingen van de fondsen zijn gestegen, maar vooral ook door de bijzonder lage marktrente. De waardering tegen marktrente is het gevolg van de Europese richtlijn inzake het functioneren van pensioeninstellingen die prudente actuariële waardering van verplichtingen voorschrijft. Uit voorzichtigheidsoogpunt is in de Pensioenwet gekozen voor marktwaardering. Bovendien zou dit beter aansluiten bij internationale boekhoudregels. Daarvoor konden pensioenfondsen werken met een vaste rente die meestal op 4% was gesteld. Veranderingen in de marktrentestand hadden dan geen enkele invloed op de waardering van de verplichtingen en daardoor niet op berekening van het eigen vermogen.
Met de Pensioenwet is in 2007 een berekening op marktrente voorgeschreven en heeft een verandering in de rente direct gevolg voor de dekkingsgraad van een pensioenfonds. Een lage rente betekent een hogere waardering van verplichtingen en daarom een grotere kans op onvoldoende eigen vermogen. Dit effect van de rente is bij invoering van de Pensioenwet goed onderkend en de wetgever heeft hier weloverwogen voor gekozen. Daarbij is ook onderkend dat de kans dat bij een pensioenfonds een tekort in het eigen vermogen zou ontstaan, zou toenemen. Zo’n vermogenstekort is op zich ook niet erg, als het maar niet te lang blijft bestaan. Het te lang bestaan, zou betekenen dat een herstel van het vermogenstekort naar de toekomst wordt doorgeschoven waarvoor dan toekomstige generaties deelnemers de rekening van zullen betalen. Niet te lang is in de Pensioenwet geconcretiseerd met het noemen van de hersteltermijn van drie jaar, waarbij de uiterste datum voor korting 1 januari 2011 is geworden. De regels over de marktrente, over de eis van het eigen vermogen en over de korting op uiterlijk 1 januari 2011 zijn in de Pensioenwet en de uitvoeringsregeling van de Pensioenwet vastgelegd. De Nederlandsche Bank kan daarom ook niet veel anders doen dan deze regels handhaven en de pensioenfondsen met onvoldoende herstel zo nodig via een aanwijzing dwingen om tot korten over te gaan.
Werknemers van wie de pensioenen bij een verzekeringsmaatschappij zijn ondergebracht hoeven overigens van een dergelijke korting niet te vrezen. Anders dan pensioenfondsen zijn verzekeraars niet bevoegd de pensioenen te korten. Bij verzekeraars lopen werknemers slechts risico in geval van faillissement van de verzekeraar.
Prof. Dr. Erik Lutjens, hoogleraar Pensioenrecht aan de Vrije Universiteit verbonden aan Expertisecentrum Pensioenrecht en advocaat bij DLA Piper Amsterdam.
