Zitten te lopen (reacties)
Is het gebruik van 'zitten' in de brede betekenis ‘iets doen’ een dialectverschijnsel? Is er een verband met het toegenomen zitten, of liggen er andere maatschappelijke veranderingen aan ten grondslag (‘Het komt dat er teveel mensen in de WAO zitten’)? En hoe kijken taalkundigen aan tegen een zin als ‘Ik zit het net aan het doen!’ Prof. dr. Hans Bennis, directeur van het Meertens Instituut in Amsterdam: ‘Ik zit al een tijdje na te denken over de constructie ‘zitten/lopen/staan te...’. Het is mij nog wat onduidelijk wat daar gebeurt. Wel is het duidelijk dat deze werkwoorden een duratief aspect krijgen en eigenlijk op weg zijn naar duratieve hulpwerkwoorden.’
Hieronder een keuze uit de vele reacties. Sommige moesten worden ingekort. Eerst komen de lezers aan het woord die dit gebruik van het werkwoord zitten kennen uit dialecten of uit het Vlaams:
M. van Osch uit Arnhem: ,,In mijn jeugd in Brabant werd het werkwoord zitten regelmatig gebruikt buiten de normale betekenis (overigens gold en geldt dat nog steeds voor het werkwoord doen: ‘Doen we nu lachen?’ En, tegen een baby: ‘Doen we nu slapen’ etcetera. Beroemd is het ouderwetse grapje: Jan roept: Mister, mister, ze zitten mij te vatten! (= ik krijg een pak slaag). Meester antwoordt: Niet erg jongen, als ze zitten dan loop je toch gewoon weg.’’
Gilbert Kegels: ,,In de laatste tien jaar van mijn loopbaan als docent Nederlands aan een middelbare school in de buurt van Arnhem viel het mij op dat veel leerlingen de constructie zitten te... steeds meer gingen gebruiken. Het enige wat je dan kunt doen, is ze bewust maken wat ze eigenlijk zeggen, eruit krijg je het bijna niet. Ook de constructie liggen te... hoor je erg veel, vooral met een negatief werkwoord erachter zoals in ‘lig niet te zeuren’ of in ‘hij ligt weer te klieren’. In het dialect van de Overbetuwe hoor ik deze laatste constructies al sinds mijn kindertijd (vijftig jaar geleden).’’
Gert-Jan Egberts: ,,Helaas heb ik niet de gelegenheid echt onderzoek te doen, maar zitten te lopen is naar mijn idee een grammaticale constructie die in het oosten van het land (ik ben geboren Twentenaar, maar woon al dertig jaar niet meer daar) in diverse variaties veel voorkomt.’’
Ans van der Elst: ,,Wat betreft het gebruik van het werkwoord zitten geef ik graag een reactie. Als Twentse woon ik al meer dan twintig jaar in Noord-Brabant. In beide streektalen komt het gebruik van het werkwoord zitten als hulpwerkwoord regelmatig voor. ‘Wat zitten jullie hier mooi te wonen’ wordt hier in Brabant veelvuldig gebezigd. In het Twents is het bijvoorbeeld heel gebruikelijk om te zeggen: ‘Zit niet zo te zeuren’, of: ‘Wat zit je toch te doen?’ En dat taalgebruik stamt echt van ver vóór het Grote Zitten.’’
Jos Weerts: ,,Zitten te lopen deed mij denken aan vroeger, mijn eerste achttien levensjaren in (Zuid-)Limburg. ‘Zitten te’ was (is?) een gebruikelijke manier om uit te drukken dat je ergens mee bezig was. ‘Wat doe je?’ ‘Niets, ik zit te zitten’. Zo’n formulering was heel gebruikelijk. Het drukt een toestand uit, een passieve omschrijving van datgene waar je op dat moment bezig bent, of van de toestand waar je je op dat moment in bevindt. ‘Ik zit te zijn’ is wellicht de ultieme manier waarop deze zinsconstructie tot zijn recht komt. Het Vlaamse gebruik van het werkwoord gaan staat daar min of meer tegenover. Dit geeft een actie weer, een op handen zijnde beweging. Dit is uitermate treffend uitgedrukt toen Vlaamse vrienden, aan het einde van hun bezoek, zeiden: ‘Wij gaan naar huis gaan’. Ik ben benieuwd of andere Limburgse NRC-lezers dit op dezelfde manier herkennen als ik (als mij, zou een orthodoxe Limburger zeggen). Mijn uit Noord-Holland afkomstige echtgenote plaagt mij regelmatig met dit soort versprekingen, die bij mij nog steeds met een zekere regelmaat voorkomen, zelfs nu ik al 36 jaar niet meer in Limburg woon en nog maar zelden Limburgs spreek.’’
Kees Hamelink: ,,Volgens mij stamt de overbodige inlassing van zitten te... uit het Vlaams. Ik herinner mij een hoogleraar uit Leuven die een vreselijk vak gaf, maar dat enigszins goedmaakte door zijn taalgebruik (en tongval natuurlijk). Ik spreek over begin jaren zeventig. Hij kwam tot extreme woordcombinaties als zitten te gaan lopen; maar op de plaats van lopen kon van alles staan. Op het verschijnsel attent geworden, heb ik het later ook andere Belgen horen doen.’’
Lydius Nienhuis: ,,Dit gebruik van zitten te... was voor mij vroeger kennelijk al heel gewoon; misschien had het te maken met het gebruik van het Drents. Zie het volgende: tijdens een les 'Vertalen vanuit het Grieks' had ik, zoals toen gebruikelijk, de beurt. Op een gegeven moment zei mijn leraar, en rector van het gymnasium in Assen: 'Maar jung (sic), en die ossen, wat deden die?' 'Nou', zei ik, 'die oss'n, die zat'n te trekk'n.' (Het ging om een ploeg.) Mijn rector begon geweldig te lachen om iets wat ik heel gewoon vond. Dit voorval is mij m'n hele leven bijgebleven, en opende mij de ogen voor het vreemde van een constructie die ik tot op dat moment heel gewoon had gevonden! Misschien komt dit gebruik dus wel uit het Drents.’’
Hoe oud?
Hoe oud is deze toepassing van zitten eigenlijk? Daarover schreven onder meer de volgende lezers:
F.Th. Olivier: ,,Het lezen van uw stukje over het eigenaardige gebruik van het werkwoord zitten bracht bij mij de volgende jeugdherinnering boven. Daaruit blijkt dat een dergelijk gebruik niet bepaald van recente datum is. In de tweede helft van de jaren vijftig bezochten mijn ouders een café-restaurant. Bruin, pluche enzovoorts. Mijn vader trachtte de aandacht van een ober te trekken. Deze wat oudere man zei, terwijl hij wegslofte: ‘Ja mijnheer, mijn collega zit er aan te komen.’ Ik herinner mij nog goed de verontwaardiging bij mijn moeder, toen zij haar kinderen dit voorval vertelde.’’
Henk Bibo: ,,‘Zit nou niet te klieren, respectievelijk te vervelen’, ‘Papa, hij zit weer (met zijn vingers) aan mijn spullen’. Ik herinner me heel wat kreten van dit soort uit mijn jeugd (meer dan zestig jaar terug) in Baarn.’’
Stef Blom: ,,Toen ik het artikel las over zitten te lopen, kwamen beelden van vroeger naar boven. In mijn jeugd (jaren vijftig en zestig) was misbruik van zitten als hulpwerkwoord heel gebruikelijk, zij het in beperkte zin. Uitdrukkingen die ik mij herinner: ‘Ik zit te studeren’ (wat natuurlijk vaak letterlijk zo was, net als ‘ik zit te lezen’, maar niet zo letterlijk bedoeld), ‘zit niet zo te klieren’ (met de overtreffende trap ‘leg niet zo te etteren’). Zitten werd gebruikt in de betekenis van ‘bezig zijn met’. Ongetwijfeld zijn er meer bezigheden waar het woord ‘zitten’ bij gebruikt werd.’’
R. Sieders: ,,Ik wist niet dat het gebruik van het werkwoord zitten zo algemeen begint te worden. Van 1960 tot 1990 heb ik samengewerkt met een collega die bijna in iedere zin zitten gebruikte: ‘Nou zit hij te argumenteren dat...’, ‘nu zit hij wel te schrijven dat het zo en zo is... ‘, ‘ ik zat daarnet door de regen te fietsen’ enzovoorts. Dit gebruik is mij nooit bij iemand anders opgevallen. Het irriteerde mij hevig, maar noch ik, noch iemand anders heeft hem op dit rare gebruik gewezen want na dertig jaar deed hij het nog zoals in 1960.’’
J.R.Schrader: ,,Ik herinner mij duidelijk dat ik omstreeks mijn negende jaar op de vraag wat ik deed mijn moeder antwoordde : ‘ik zit te lopen’. In die periode zat ik heel veel dingen te doen, die gewoonlijk niet zittend gedaan worden. Dit gold ook voor mijn toenmalige vriendjes. Vrij snel daarna heeft de logica het gewonnen van de gewoonte. Reden waarom ik U dit vermeld is de tijd, waarin dit plaatsvond, namelijk de (late) dertiger jaren. Misschien waren wij onze tijd ver vooruit? Of lag het eraan, dat dit in het vooroorlogse Nederlands Indië gebeurde?’’
Maatschappelijke veranderingen
Volgens Aad van der Kuijp is de opkomst van de werkwoorden zitten en lopen te verklaren uit maatschappelijke veranderingen. Hij schreef: ,,Het te pas en te onpas gebruiken van de werkwoorden zitten en lopen is waarschijnlijk te wijten aan een soepele toepassing van de diverse sociale wetten. Iedereen kent de zegswijzen: ‘Ik loop in de ziektewet’, ook in die gevallen waarin bedrust toch doktersvoorschrift zou moeten zijn. ‘Ik zit in de WAO’, ook in die gevallen waarin volop van de vrije natuur wordt genoten. ‘Ik loop in de WW’, alsof zittend werk niet meer mogelijk zou zijn. Dat deze spreektaal al doorgedrongen is tot de jongste generatie geeft wel te denken.’’
Marian van den Beuken vermoedt dat de aanwezigheid van allochtone kinderen op scholen een rol kan spelen: ,,Zelf heb ik het gevoel dat dit verschijnsel iets te maken kan hebben met het feit dat het voor mensen met een andere eerste taal erg moeilijk is om te weten wanneer je in het Nederlands zitten, liggen, staan en lopen moet gebruiken. Er worden dan ook erg veel hardnekkige fouten in gemaakt. Op scholen waar veel kinderen zitten (!) die Nederlands als tweede taal spreken, kan dit vast ook weer een effect hebben op de kinderen die Nederlands als moedertaal hebben. Ook de invloed van al of niet beroemde rappers kan hier een rol spelen. Nog een voorbeeld van het gebruik van lopen: van zwangere vrouwen voor wie de bevalling nadert, wordt in de volksmond gezegd dat ze op alle dag lopen.’’
Han Mol uit Amsterdam kwam met hetzelfde idee: ,,‘Zit niet de klooien’. ‘Zit niet aan me hoofd te zeuren’, ‘Ik zat daar maar wat rond te hangen’. Het was gebruikelijke taal in het Amsterdam-Noord van mijn jeugd en ik hoor het nog dikwijls, niet slechts in Noord maar in heel Amsterdam. Er wordt veel ‘gezeten’ in het Amsterdams terwijl niemand zit. Het eigenaardige taalgebruik van uw zoontje lijkt op de taal die jongeren van een gemengde of zwarte school bezigen, alhoewel ik uw voorbeelden wel heel extreem vind.’’
D. Jansen denkt juist niet dat er sprake is van maatschappelijke veranderingen: ,,Vanuit mijn functie als docente Nederlands op een middelbare school te Zwolle ben ik geïnteresseerd in etymologie, nieuwe uitdrukkingen en taalveranderingen. Toch denk ik niet dat ‘zitten te lopen’ op een dergelijke wijziging duidt. […] Op het VMBO waar ik les geef, zijn veel taalzwakke leerlingen. Daarbij zijn er ook die zinnen gebruiken als: Ik zit m’n pen terug te vragen. Niet: Ik zit m’n pen aan het terugvragen.' Aan het' is vervangen door 'te'. Het wordt gebruikt alsof het een uitdrukking betreft. Toch zijn het slechts enkelen die zitten op die manier gebruiken. Bovendien wordt er wel vaak gezegd dat kinderen tegenwoordig veel zitten, maar bij ons op school zijn dat er weinig. Integendeel: ze haten het dat ze hele dagen in de schoolbanken moeten doorbrengen. Niet omdat ze zonodig achter MSN willen zitten, maar omdat ze het weiland op willen, de tuin in of aan het werk in de kas. Ik ben er niet zeker van of dat alleen voor leerlingen geldt die de groene richting hebben gekozen, maar ik weet niet beter dan dat VMBO-leerlingen ‘doeners’ zijn. Ze willen bewegen, niet zitten. Dus ook al zeggen ze misschien: ik zit te schoffelen, het heeft bij hen niet te maken met werkelijk zitten.’’
Taalkundig verklaringen
Wat zijn nu de taalkundige verklaringen voor dit verschijnsel? Branda Katan: ,,Zitten en lopen in plaats van zijn en hebben zijn ouder dan het taalgebruik van je zoontje. Voor mij (leeftijd: 26) is het zo lang ik me herinner heel gebruikelijk om te zeggen: ‘Je moet niet zo zitten te zeuren!’ of ‘loop niet zo te mekkeren!’ of ‘ik loop de hele dag te geeuwen’ of ‘hij loopt je te versieren’ of ‘wat zit je nou te lachen?’, zonder dat de hoofdpersonen zitten of lopen. Wel klinkt het gebruik dat je zoontje van zitten maakt me vreemd in de oren. Hij gebruikt blijkbaar zitten + aan het + infinitief, terwijl het voor mij normale gebruik is zitten + te + infinitief: ‘Wat zit jij eigenlijk te doen?’ (ook voor iemand die niet zit). Overigens wel eens bedacht hoe moeilijk dit soort constructies aan buitenlanders is uit te leggen?’’
Prof. dr. Hans Bennis (directeur van het Meertens Instituut in Amsterdam): ,,Ik zit al een tijdje na te denken over de constructie ‘zitten/lopen/staan te ...’. Het is mij nog wat onduidelijk wat daar gebeurt. Wel is het duidelijk dat deze werkwoorden een duratief aspect krijgen en eigenlijk op weg zijn naar duratieve hulpwerkwoorden. Dat kun je zien aan twee dingen.
Ten eerste de betekenisverbleking: je hoeft niet meer werkelijk te zitten, te lopen of te staan. De zin kan waar zijn (in de logische betekenis) zonder dat er voldaan wordt aan de ‘echte’ betekenis van deze werkwoorden, zoals jij ook constateert in je stukje. Deze betekenisverbleking tref je niet alleen in deze constructie met twee werkwoorden, maar ook bij twee adjectieven verbleekt de betekenis van de eerste, een bekende en telkens weer nieuwe bron van ‘taalvernieuwing’: ‘verschrikkelijk leuk’ is niet verschrikkelijk, en iets dergelijks geldt voor ‘smerig lekker’, ‘onwijs knap’, ‘mooi klote’ etc. waarbij het eerste adjectief de +/- prototypische betekenis van hoge graad krijgt. Ook voor zelfstandig naamwoorden heeft drs. Van Buuren (pseudoniem van Hugo Brandt Corstius) ooit een lijstje samengesteld met combinaties als ‘een berg landen’ ‘een schaar feministes’, ‘een stapel opdrachten’ etc. waar ook de letterlijke betekenis van het eerste naamwoord aan verbleking onderhevig is, en vooral een hoeveelheidsbetekenis krijgt. Ik vind dit een interessant patroon, maar echt begrijpen doe ik het niet.
Een andere eigenaardigheid van de zitten-constructie is de aanwezigheid van ‘te’ die soms verplicht is, maar soms kan ‘te’ ook wegblijven. Dat gebeurt als ‘zitten’ etc. niet de persoonsvorm is maar een infinitief: Hij heeft zitten (te) denken aan ... (waar ‘te’ bij voorkeur wordt weggelaten). Dus ‘Hij loopt te schelden op Verdonk’, maar niet *’Hij loopt schelden op Verdonk’, terwijl ‘Hij heeft lopen schelden op Verdonk’ wel weer goed is. Een aardig tussengeval betreft een meervoudige persoonsvorm (in de tegemoetkomende tijd) in de bijzinsvolgorde: ‘Ik hoop dat zij morgen, tijdens de demonstratie ook lopen schelden op Verdonk’. Deze zin is niet echt goed, maar aanzienlijk beter dan ‘Zij lopen tijdens de demonstratie schelden op Verdonk’. Jij voegt er een derde punt aan toe. Kennelijk dringen deze werkwoorden nu ook binnen in de typisch aspectuele, duratieve ‘aan het ...’-constructie. ‘Ik zit het net aan het doen’ Ik had dat nog nooit gehoord of gezien, maar het past geheel in het beeld dat hier aspectuele hulpwerkwoorden aan het ontstaan zijn. Interessant!’’
Jaap Kuipers: ,,U werd getroffen door uitspraken van uw kinderen met ‘zitten te’. U meent dat dit veelvuldiger voorkomt dan vroeger en suggereert dat dit te wijten zou kunnen zijn aan onze moderne zitgewoonten. Juist het feit dat u dit soms in de ogen van de volwassene foutieve gebruik van ‘zitten te’ opmerkte bij kinderen wijst mijns inziens op een eigenschap van het Nederlands die er aan ten grondslag ligt. Het ontbreekt namelijk in onze taal aan een aparte werkwoordsvorm die het duratieve aspect aangeeft. We wijken om dit duratieve aspect te benadrukken uit naar omschrijvingen als: bezig zijn met..., aan het... zijn, lopen/staan/zitten/liggen te..., blijven....
Heel duidelijk is het gevolg van dit ontbreken van een aparte vorm voor dit imperfectief aspect te vinden in twee van uw voorbeelden: ‘Wat zit jij eigenlijk aan het doen?’ ‘Ik zit het net aan het doen!’ Beginnende taalgebruikers kunnen blijkbaar nog niet goed kiezen tussen de omschrijvende mogelijkheden die het Nederlands biedt en stapelen er om het duratieve aspect (en soms ook om hun irritatie etc.) extra mee uit te drukken twee op elkaar. Dat het ‘zitten te’ veelvuldiger voorkomt dan vroeger waag ik te betwijfelen, maar kan ik niet bewijzen. Het zou interessant zijn dit te onderzoeken. Wat ik wel met zekerheid weet is dat het ook in het verleden veel bij kinderen voorkwam. Ik kan dit illustreren met een persoonlijke ervaring.
Ruim veertig jaar geleden liep ik met mijn twee zoons (van omstreeks vier en vijf) aan de hand te wandelen op de Lijnbaan. Bij de etalage van een grote speelgoedwinkel bleven we staan. De kinderen lieten mij los om voluit te genieten van al het moois dat daar te zien was. Na geruime tijd vervolgden we onze wandeling. Maar nu pakte het kind dat eerst links van mij had gelopen mijn rechter hand. Waarop de ander reageerde met: Ga weg joh, ik zat daar te lopen!! (irritatie!!) Dit incident is mij altijd bij gebleven, omdat het laat zien dat wat het Nederlands ontbeert om dit duratieve aspect (en irritatie) bijvoorbeeld in het Engels zo makkelijk kan worden weergegeven door middel van de ‘progressive tense’, wat later de ‘continuous’ is gaan heten. Ik heb deze anekdote veelvuldig met succes gebruikt tijdens mijn loopbaan als docent Engels bij het middelbaar en hoger onderwijs, om de functie van de continuous uit te leggen.
Wat het verschil tussen ‘zitten te’ en de andere vormen met ‘te’ betreft: Als er sprake zou zijn van gemakzucht bij onze jeugd zouden we dan niet mogen verwachten dat ‘liggen te’, nog populairder zou zijn. Ik durf te wedden dat vormen als ‘lig niet te zeiken / ouwehoeren’ (nog meer irritatie) etc. vroeger niet minder frequent werden gebezigd dan thans.’’
Kees Pot: ,,Naar aanleiding van uw verhaal over zitten in de betekenis ‘iets doen’, ‘van plan zijn’, vroeg u zich af hoe dat met lopen is/was. ‘Ik loop bij de specialist’, of ‘ik loop bij een fysiotherapeut’, ik ben ‘in behandeling bij’. Merkwaardig is dat iemand niet loopt bij een tandarts, of mijn auto loopt bij de garage. Zitten is dan weer negatief. Ik zou best bij die specialist willen lopen, maar ik zit nu eenmaal bij Jansen.’’
Jaap Tesselaar: ,,Als voormalig Nt2 [Nederlands als tweede taal] docent had ik de dankbare taak om de eigenaardigheden van de Nederlandse taal aan buitenlandse studenten te verklaren. De constructie met ‘zitten’ en een tweede werkwoord in de zin (vergezeld van te) legde ik uit door middel van de actielijn. Als je door middel van een werkwoord een actie wilt benoemen, heb je de mogelijkheid om het begin (of de intentie daarvan) weer te geven door het gebruik van het extra (hulpwerkwoord) gaan: ik ga even een appeltje schillen. Als je aan wilt geven dat je je midden in die actie bevindt, heb je verschillende mogelijkheden: met zijn (ik ben een appeltje aan het schillen) of door middel van je lichaamspositie te benoemen (zitten, liggen, lopen staan en hangen (de was hangt te drogen). In dit geval: ik zit een appeltje te schillen. Als je kenbaar wilt maken dat de actie is afgelopen, plaats je GE voor het hoofdwerkwoord, met hulpwerkwoord zijn of hebben en eventueel een vervoeging: ik heb een appeltje GEschild. Actie afgelopen.
Zo simpel en los van alle werkwoordstijden. Zitten lijkt nu dominant geworden, denk ik, omdat ‘zitten’ behalve de lichaamspositie ook een tweede betekenis heeft gekregen, namelijk ‘ zich bevinden in’. ‘Het kabinet zit in een lastig parket’. ‘We zitten midden in een film’. Deze betekenis doet ‘zitten’ prevaleren boven lopen, staan en liggen, die een veel duidelijker lichaamspositie oproepen. Zitten is in die zin veel kleurlozer, veel meer gericht geworden op ‘ ik bevind me min of meer in de handeling ‘appeltje schillen’. Deze wijsheden heb ik natuurlijk uit de standaardliteratuur gehaald, maar door de nieuwsgierigheid en de verbazing van de buitenlandse studenten werden dit soort fenomenen in de Nederlandse taal zichtbaar, voelbaar en verklaarbaar.’’
Tot slot een reactie van Lijgien Bos: ,Mij verbaast de constructie ik zit het net aan het zoeken. Waarschijnlijker lijkt het mij dat uw zoon de volgende constructie bezigt: ik zit het net te zoeken, evenals: wat zit jij eigenlijk te doen, dan zou je eigenlijk al zitten te slapen. En die laatste is inderdaad het gekst, omdat je daar niet veronderstelt dat de persoon in kwestie nog zit. Maar misschien heeft u echt de constructies gehoord met zitten aan het.. en dan is er wel iets verbazingwekkends gaande op twee fronten: zowel zitten bij actie waar je niet zit, als in een nieuwe constructie: ik was aan het lopen, zou dan worden: ik zit aan het lopen. Het zit er aan te komen dat zitten een nieuwe plaats verovert in de wereld van de Nederlandse hulpwerkwoorden. Mij was juist het de laatste jaren het overmatig gebruik van gaan als hulpwerkwoord opgevallen: voor alles wat zich in de nabije toekomst en de iets verdere toekomst gaat afspelen: waar we eerder nog spraken van ik zal je bellen, is het nu: ik ga je bellen, gevolgd door: ik ga je zien, we gaan naar Suriname gaan. En Suriname blijkt een belangrijke bron voor dit hulpwerkwoord. Dat compenseert ons zittend taalbestaan wellicht weer een beetje: het gaat meevallen, zat ik net te denken.’’
Reacties naar sanders@nrc.nl. Volgende week nog enkele reacties van lezers die schreven over het opmerkelijke gebruik van het werkwoord doen.
