‘Doping is echt geen kattenpis’
Twee maanden geleden werd de Dopingautoriteit opgericht. Directeur Herman Ram (49) wil in de strijd tegen doping de menselijke maat voeren. „Wij zijn geen cowboys.”
Capelle aan den IJssel, 12 sept. Aan deskundigen was geen gebrek bij de twee dopinginstanties die eind juni fuseerden tot de Dopingautoriteit Nederland. Desondanks benoemde het bestuur Herman Ram tot directeur, allerminst een autoriteit op het gebied van doping. De reden lag – als zo vaak bij aanstellingen op directieniveau – in de behoefte aan leidinggevende kwaliteiten in combinatie met een neutraal verleden. Maar Ram is zijn kennis over doping in ijltempo aan het bijspijkeren. „Ik kan niet tippen aan de deskundigheid die we in huis hebben, maar ik heb veel gelezen en weet aanzienlijk meer dan vier maanden geleden.”
De affaires voorafgaande aan de Ronde van Frankrijk en nadien de zaak Floyd Landis waren Rams ontgroening. „De telefoon stond roodgloeiend”, vertelt de oud-directeur van achtereenvolgens de schaak-, badminton- en skibond.
Nu de rust enigszins is weergekeerd en Ram weet welke impact doping kan hebben, legt hij zich weer toe op de samensmelting van het Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken (NeCeDo) en Dopingcontrole Nederland (DoCoNed), de instanties die tot voor kort verantwoordelijk waren voor respectievelijk de voorlichting over doping en de uitvoering van de 2.500 jaarlijkse controles.
In de Dopingautoriteit komen het overheidsbeleid en die van sportkoepel NOC*NSF samen. Op dit moment is de te volgen lijn nog onderwerp van studie, omdat de georganiseerde sport bijvoorbeeld de controles goed geregeld wil zien, in tegenstelling tot broeinesten van doping als krachthonken en fitnesscentra, waarvan de overheid toezichthouder is.
Tot er duidelijkheid is over de status van de Dopingautoriteit, dragen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en NOC*NSF financieel evenredig bij; elk voor een jaarlijkse vergoeding tussen de acht en negen ton, wat neerkomt op een budget van zo’n 1,7 miljoen euro op jaarbasis. Ram: „Er is nu geen verschil van mening tussen VWS en NOC*NSF, maar als dat zich voordoet zal de Dopingautoriteit zich moeten waarmaken.”
Waar Ram tien jaar geleden bij de schaakbond nog smadelijk lachte om het idee dat er na een partij op doping gecontroleerd zou worden, heeft de realiteit hem tot een ander besef gebracht. „De naïviteit van toen is verdwenen”, zegt hij. „En dat merk ik ook om me heen. Het anti-dopingbeleid wordt in Nederland breed gedragen. De vraag die wij vooral krijgen is: hoe kan het efficiënter? De bonden willen ontlast worden.”
In de strijd tegen doping wil Ram graag de menselijke maat voeren. „Wij zijn geen cowboys en willen dat ook niet worden. Er zal veel nadruk op preventie worden gelegd. En dat werkt alleen als we objectief zijn. Als een sporter ons belt en informatie over een kuur vraagt, zullen we niet het vingertje heffen maar de feiten vertellen. We moeten geloofwaardig blijven en dat kan niet als je overal op tegen bent. Bovendien moeten we er voor waken dat ons draagvlak te smal wordt.”
De Dopingautoriteit loopt in grote mate aan de leiband van het wereldantidopingbureau WADA, beseft Ram. „Maar ons bestaansrecht hangt er niet van af, omdat de breedtesport en de sportscholen buiten de kaders van de wereldantidopingcode vallen. Wij moeten ons ook inzetten voor de gezondheid van die sporters. En we zullen ons meer richten op samenwerking met politie en justitie om de handel en productie aan te kunnen pakken. Wat dat aangaat denken we dat de kraan behoorlijk openstaat, terwijl wij aan het dweilen zijn.”
De entree van Ram valt samen met een herziening van de wereldantidopingcode, een proces dat in november 2007 zijn beslag krijgt. De Nederlandse directeur heeft bij zijn internationale contacten gemerkt dat er een brede steun is om de strafmaat op te rekken. Ram: „De opvatting dat de ‘Nattemannetjes’ minder zwaar bestraft moeten worden dan de ‘zware jongens’ wordt breed gedragen. Ik verwacht ook dat de maximale straf van twee jaar bij een eerste overtreding wordt opgerekt tot vier jaar. Nee, daarmee wordt naar mijn mening niet de bodem onder de harmonisatie van het anti-dopingbeleid weggehaald. WADA behoudt het recht om bij het sporttribunaal CAS tegen een straf in beroep te gaan.”
In de internationale discussie over strafverhoging houdt Nederland zich voorlopig op de vlakte. „We hebben ons er nog niet over uitgesproken”, vertelt Ram. „Maar ik kan me goed voorstellen dat de we de algemene lijn volgen. En vanzelfsprekend zullen we ons uiteindelijk aan de wereldantidopingcode conformeren.”
Voor liberale opvattingen over doping heeft Ram nauwelijks gehoor. De directeur van de Dopingautoriteit heeft er weinig moeite mee als betrapte sporters in de publieke opinie worden gecriminaliseerd. „Bij sporters die willens en wetens de regels overtreden denk ik niet: Goh, wat zielig. Doping is geen kattenpis. We praten wel over medicijnen met serieuze bijwerking.”
En van iemand als de Bredase huisarts Berend Nikkels, die om gezondheidsredenen bloeddoping tot zekere hoogte niet afwijst, moet Ram weinig hebben. Op verontwaardigde toon: „Nikkels bepleit zelfs verruiming van de hematrocrietwaarde, de gezondheidsgrens voor de hoeveelheid rode bloedcellen. Daar schrik ik van, omdat het levensgevaarlijk is. Jazeker, dat zegt iemand die er voor heeft doorgeleerd, maar ik denk dat ik inmiddels meer over epo heb gelezen dan Nikkels, anders kan hij zoiets niet beweren.”
Rams wijst het onnatuurlijk aanvullen van bloedcellen af. „Waarom streven we niet naar een schone sport”, zegt hij met lichte stemverheffing. „Het zoeken van de grenzen betekent dat je het probleem doping in stand houdt. Nee, daarin ben ik niet naïef. Ik besef dat dé oplossing misschien niet bestaat, maar ik denk wel dat we die zeker niet vinden door de marges te blijven zoeken.”
