‘Dopinglaboratoria zijn niet gericht op verbetering’
De Tour de France is bijna een metafoor voor doping. En voor Klaas Faber de afspiegeling van een wereld waarin het schort aan zuivere wetenschap en deugdelijke regelgeving.
Beek Ubbergen, 6 juni. Topsport behoort te worden ondersteund door topwetenschap, vindt Klaas Faber, een zelfstandig adviseur in dopingzaken. Maar die symbiose wordt naar zijn mening nogal eens verstoord door rammelende wetenschap. „De enige manier om dat aan te tonen, is je te gedragen als een hacker; laten zien dat het systeem van dopingbestrijding op onderdelen niet deugt.”
Met zijn achtergrond als chemicus, chemometrist, methodoloog en oud-medewerker van het Nederlands Forensisch Instituut raakte Faber geïnteresseerd in dopingzaken. Hij was tien jaar geleden samen met Douwe de Boer, hoofd van het opgedoekte dopinglaboratorium in Utrecht, al bezig met het biologische paspoort.
Na een periode van afstand inspireerde de geruchtmakende dopingzaak van Tourwinnaar Floyd Landis in 2006 Faber tot een entree als specialistische luis in de pels. „Omdat die zaak wetenschappelijk niet deugt. Ik zie dat er geknoeid is. En dat is schadelijk.”
Sindsdien opereert hij als zelfstandige onderzoeker, die wereldwijd informatie uitwisselt met toonaangevende wetenschappers en zijn diensten aan sporters in dopingnood aanbiedt – gevraagd en ongevraagd. Zo raakte hij onder meer betrokken bij de twee zaken rond atleet Simon Vroemen. En Faber heeft een plan: hij streeft ernaar in Nederland een denktank voor dopingonderzoek en een dopinglaboratorium te beginnen.
Een hoogwaardig laboratorium is volgens Faber niet te vinden, ook al is een dertigtal geaccrediteerd door het werelddopingbureau WADA. Voorheen werd er naar zijn mening kwaliteit geleverd door Manfred Dönike in Keulen en Don Catlin in Los Angeles, maar de Duitser is overleden, terwijl Catlin voor zichzelf is begonnen.
Faber richt zijn kritiek vooral op een gebrek aan wetenschappelijke grondslag van dopingtesten. „Er wordt bijvoorbeeld onvoldoende aannemelijk gemaakt dat meerdere stoffen vaak hetzelfde signaal geven, waardoor een uitslag ook foutpositief kan zijn. Dergelijke zaken behoren te worden uitgezocht voordat een test wordt ingevoerd. Een mooi voorbeeld is de Belgische triatleet Rutger Beke, wiens lichaam onder zware inspanning dezelfde reactie gaf als epo. Een gevolg van visuele interpretatie; er wordt alleen naar plaatjes gekeken. Daar zit onvoldoende denkwerk achter.”
Uitgesproken negatief is Faber over het dopinglaboratorium in Gent, naast ‘Keulen’ de instantie waar de Nederlandse Dopingautoriteit haar monsters laat testen. „In Gent wordt prutswerk geleverd”, vindt Faber. „Opgepoetste wetenschap. Ik mis een Einstein. Bij een rapportage van ‘Gent’ krijg je onduidelijke plaatjes waarvan je niet weet of de getallen kloppen. Als het hoofd Frans Delbeke zich met een verwijzing naar de kwaliteitsaspecten verdedigt tegen het risico op foutpositieve uitslagen, bedoelt hij dat er met witte jassen en veiligheidsbrillen netjes is gewerkt. Over het denkwerk hoor je Delbeke niet; zijn wetenschappelijke artikelen gaan nooit over concrete zaken.”
Een betreurenswaardige vaststelling, erkent Faber, die graag wil aantonen dat in Nederland een kwalitatief hoogwaardig laboratorium realiseerbaar is. „Omdat het stukken beter kan. Medewerkers in dopinglaboratoria richten zich nu op analyses en kunnen slecht interpreteren. Als de diagnose van een ziekenhuis je niet bevalt, kun je elders een second opinion aanvragen. Bij dopingzaken is dat onmogelijk. Zo ontbreekt voor laboratoria de drijfveer zich te verbeteren. Ze zijn erg gericht op het bevestigen van oude kennis.”
Juridische inkapseling verhindert volgens Faber dat het systeem van dopingcontroles zal veranderen. „De reglementen zijn voortdurend aangepast aan de bewijslast die de laboratoria menen te kunnen leveren. In de forensische wereld is zoiets ondenkbaar; daar wordt de uitslag van een test altijd met wetenschappelijk bewijs ondersteund. Fraude van een laboratorium vind ik erger dan een sporter die dope gebruikt. Omdat de gevolgen schadelijker zijn. Bij een sporter praat je met betrekking tot gezondheid nog altijd over het zelfbeschikkingsrecht.”
Een sporter is op grond van de wereldantidopingcode aansprakelijk voor een positieve dopingtest. In tegenstelling tot het strafrecht geldt hier het principe van de omgekeerde bewijslast. Dat zou volgens Faber verdedigbaar zijn als de mogelijkheid voor het leveren van tegenbewijs niet ontbrak. „Elke zaak voor een rechter moet weerlegbaar zijn. Dat is vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Maar in dopingzaken werkt dat niet zo. De aanklager en de verdediger hebben geen gelijkwaardige rol. Dat vind ik fundamenteel fout.”
In Nederland is naar het oordeel van Faber directeur Herman Ram van de Dopingautoriteit een exponent van het huidige dopingsysteem. „Hij gelooft in de kwaliteit en zorgvuldigheid van dopingtesten. In plaats van zich bij de feiten te houden, gaat hij een stap verder. Bij de vijftienjarige schaatser die onlangs is betrapt op nandrolon verklaarde Ram dat „het niet zo maar om een onschuldig middel gaat”. Alsof hij al is veroordeeld. De Dopingautoriteit lijkt zo bezig haar bestaan te legitimeren.”
