Overgeleverd aan willekeur
Wielrennen is bijna een metafoor voor doping. En voor jurist Janwillem Soek de afspiegeling van een wereld waarin wordt gespot met rechtsregels.
Rotterdam, 13 juni. De ironie kan Janwillem Soek er wel van inzien. Heeft de jurist het veelvuldig over het gebrek aan privacy van topsporters bij dopingcontroles, staat hij nog steeds vrijwel alleen in zijn kritiek. Met een schaterlach: „Daarom voel ik me zo gefrustreerd, man.”
Soek (62) kan er maar niet over uit dat er zo weinig verzet is tegen de rechteloosheid van sporters in dopingzaken. Dat sinds 2003 de reglementen zijn geharmoniseerd met de invoering van een wereldantidopingcode ziet ook Soek als vooruitgang, maar hij blijft zich verbazen over het gemak waarmee belangen van sporters ondergeschikt worden gemaakt aan de strijd tegen doping. De specialist internationaal sportrecht van het Haagse Asser Instituut schreef er een proefschrift over – ‘het strikte aansprakelijkheidsbeginsel en de mensenrechten van de atleet in dopingzaken’ – en fulmineert regelmatig in vakbladen. Met als resultaat: alom stilte.
Pas nog, op een door staatssecretaris van Sport Jet Bussemaker belegde expertmeeting over doping, signaleerde Soek enige onverschilligheid onder de deskundigen. „Bij de twintig prioriteitsstellingen van dopingvraagstukken stond privacybescherming ongeveer op de twaalfde plaats. Het wordt niet belangrijk gevonden. Maar ik blijf ’t belachelijk vinden dat een private organisatie als het wereldantidopingbureau WADA bij sporters kan binnenvallen om op doping te controleren.”
Soeks kritiek spitst zich toe op de whereabouts, het systeem van dopingcontroles buiten wedstrijdverband in combinatie met de verplichting van de sporter voor een periode van drie maanden zijn of haar verblijfplaatsen op te geven. Een schending van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, oordeelt Soek. Hij doelt op artikel 8, waarin de bescherming van huis en gezin is vastgelegd.
Het verbaast de jurist dat het artikel zo slecht wordt nageleefd. „Normaliter kan alleen onder strikte voorwaarden huiszoeking worden gedaan. Maar niet bij doping. Zelfs op het werk kan een controleur langskomen. Mij lijkt dat in strijd met alles wat we de laatste vijftig jaar op juridisch gebied verzonnen hebben. En dan mag directeur Herman Ram van de Dopingautoriteit beweren dat het netjes gebeurt, het blijft juridisch niet in de haak, hoe keurig ook uitgevoerd.”
Een ander beginsel waarmee in de dopingcode volgens Soek de hand wordt gelicht, is de aansprakelijkheid. Bij doping geldt het principe van de omgekeerde bewijslast; in geval van een positieve test moet de sporter zich vrijpleiten van schuld. In strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, beweert Soek. „Zelfs als je een revolver op zak hebt, krijg je in het strafrecht de mogelijkheid aan te tonen dat je niet de dader van een misdrijf bent. Maar in een dopingproces mag over de schuldvraag niet worden gesproken. Ja, pas in de fase van strafoplegging. Dat is in strijd met alle rechtsregels en in mijn ogen een vorm van inquisitie. Ik vind dat de regels van het stafrecht altijd over het tuchtrecht heen gelegd moeten worden.”
Zelfs bij onschuld is het voor een sporter moeilijk onder een dopingstraf uit te komen. En een beroepszaak bij CAS, het arbitragehof voor Sport in Zwitserland, biedt volgens Soek evenmin soelaas. „Niet dat ik CAS wil beschuldigen van vooringenomenheid, maar de organisatie is in principe anti doping. Bovendien doet CAS in mijn ogen niet aan arbitrage maar aan puur tuchtrecht. Arbitrage is van toepassing bij een geschil tussen twee gelijkwaardige partijen, bij tuchtrecht is sprake van een aanklager en een verdachte. CAS zou zich moeten opstellen als een Hoge Raad om vonnissen te toetsen, maar in plaats daarvan wordt elke zaak overgedaan.”
WADA vindt hij „een rare organisatie”. De jurist: „WADA is opgericht met goedkeuring van bijna alle landen, maar hoefde vervolgens bijna geen verantwoording af te leggen, zelfs niet over het opsporingsbeleid. Op een goed moment werd bij WADA gedacht: de hele wereld staat achter ons, we kunnen onze gang gaan. Dat gold vooral onder voorzitterschap van Dick Pound. De dopingregels werden steeds meer aangescherpt. Want ja, doping is toch zoiets ergs. Maar de sporters hebben binnen WADA nauwelijks iets te vertellen, want die zijn zwaar ondervertegenwoordigd in de organisatie.”
Soek heeft de stille hoop dat de Europese Unie via de sociale dialoog – de discussie over richtlijnen voor arbeidsverhoudingen – nog wat voor sporters kan betekenen. „Hopelijk wordt langs die weg voorkomen dat een sporter ontslagen wordt zodra hij wordt genoemd in een dopingzaak. En hopelijk leidt de dialoog ook tot minder strenge contracten, zodat de menselijke verhouding in de arbeidssituatie voor sporters kunnen terugkeren. Zie wat er met wielrenner Tom Boonen gebeurt. Als hij de Tour niet mag rijden is in mijn ogen sprake van een beroepsverbod. En waarom mag hij dan wel in de Dauphiné Libéré starten? Zo liggen de verhoudingen. Sporters zijn overgeleverd aan willekeur, terwijl het wel om hun brood gaat.”
De oplossing ligt volgens Soek in handen van de ‘gewone’ rechter. De jurist kan niet wachten tot een sporter zijn privacyrecht laat toetsen. Het kan volgens hem niet anders of hij wordt in het gelijk gesteld. Soek. „Het is onder sporters echter een vloek om naar de rechter te stappen, want de heersende opvatting is: ‘dat regelen we toch intern.’ Mijn hoop is dat een sporter in de nadagen van zijn carrière zo moedig is de stap naar de rechter te wagen. Misschien komt er dan een eind aan deze moderne vorm van slavernij.”
