Eind dopestrijd niet in zicht
Rotterdam, 1 juli. Is het biologisch paspoort, waarin van elke renner de bloedwaarden worden vastgelegd, de garantie voor een schone Tour de France 2009? Beleidsbepalers juichen, maar de praktijk van de afgelopen jaren biedt weinig hoop.
In het najaar van 2005 zitten de managers van negen grote wielerploegen bijeen om te praten over het dopegebruik van hun eigen renners. De sfeer is informeel en open. Lance Armstrong heeft zijn zevende Ronde van Frankrijk gewonnen en is er vervolgens door de Fransen van beschuldigd dat hij in de Tour van 1999 epo heeft gebruikt, het voor sporters verboden eiwithormoon dat de aanmaak van rode bloedcellen en daarmee de opname van zuurstof stimuleert en zo het uithoudingsvermogen vergroot.
De ploegleiders hoeven elkaar niets wijs te maken. Ze hebben het dopegebruik jarenlang zelf georganiseerd, en later toegestaan dat hun renners het organiseerden. Maar nu is de druk te groot geworden. Van justitie, van dopingbestrijders. En niet te vergeten van hun eigen sponsors, die vrezen voor de goede naam. Er rest nog één oplossing: streep onder het gedogen, kappen met gebruik. Voor welke van de eigen renners steken ze de hand in het vuur, daarover spreken de negen. Strikt vertrouwelijk delen ze hun twijfels en zekerheden. Slechts één van hen twijfelt niet. Bjarne Riis van CSC weet precies wat zijn renners uitvoeren en steekt voor allen de handen in het vuur.
Verloren vertrouwen
In mei 2006 wint CSC-kopman Ivan Basso de Ronde van Italië. Op een van de zwaarste beklimmingen in de laatste week dicteert zijn vriend en ploeggenoot (en tegenwoordig zijn manager) Giovanni Lombardi, die niet bekend staat als klimmer, van onder tot boven het tempo van de groep. Riis rijdt erachter in de auto. „Op die dag heb ik definitief het vertrouwen verloren dat het ooit goed komt met de wielersport”, vertelt een ploegleider uit het overleg van 2005 die anoniem wil blijven.
Een maand later, vlak voor de Tour, valt de naam Basso in het Spaanse bloeddopingschandaal Operacion Puerto. Ploegleider Riis wast zijn handen in onschuld en stuurt zijn kopman naar huis. Vlakbij doet het DuitseT-Mobile hetzelfde met favoriet Jan Ullrich. „Wij staan voor schone wielersport”, verzekert de ploegleiding. In mei 2009 maakt de Duitse justitie bekend dat een aantal renners van T-Mobile twee dagen na de uitsluiting van Ullrich de universiteitskliniek van Freiburg bezoekt, om onder begeleiding van de ploegartsen een verboden bloedtransfusie te ondergaan.
„De eeuwige strijd tussen stroper en boswachter”, relativeert oud-renner en ploegleider Walter Godefroot het dopingprobleem in de sport. Met de introductie van epo, oorspronkelijk ontwikkeld tegen bloedarmoede bij nier- en kankerpatiënten, nemen de stropers een enorme voorsprong. Als de Britse atleet en dopinghandelaar David Jenkins in 1988 in het maandblad Sport International als een van de eersten over ‘E.P.O.’ spreekt, hebben de dopingcontroleurs nog nooit van het middel gehoord. Het is vooral effectief bij duursporters, weet Jenkins, en zorgt voor een prestatieverbetering van tegen de tien procent.
Patatgeneratie
Epo zorgt in het peloton vanaf 1989 voor grote onrust. Italianen en Spanjaarden lopen voorop en winnen alles. Nederlandse en Belgische ploegen zijn huiverig voor het gebruik van epo, dat bij te hoge dosering leidt tot ‘dik’ bloed en hartfalen. Hun renners zijn kansloos, en worden door de media weggezet als ‘patatgeneratie’. Intussen staan collega’s uit buitenlandse ploegen ’s nachts op om hun door epo verdikte bloed in omloop te houden. Elke controle ontbreekt.
Begin 1997 stemmen de renners in met het afstaan van hun bloed voor gezondheidscontroles. Een hematocrietwaarde, die het aantal rode bloedcellen aangeeft, van boven de 50 leidt tot een startverbod van twee weken. Zo keert de rust enigszins terug. Zoals uit latere processen tegen Festina en T-Mobile blijkt, organiseren de topploegen zelf het gebruik van epo onder begeleiding van kundige sportartsen. De hematocrietwaarden worden gelijker, de wedstrijden eerlijker. Er groeit een generatie sporters op die epo niet ziet als bedrog maar als noodzakelijk middel om te kunnen meedoen in de top.
Vanaf de Tour de Dopage in 1998 valt dopegebruik in steeds meer landen onder het strafrecht. Sinds 2001 hebben de controleurs een test om epo op te sporen. Een startverbod van twee weken wordt een schorsing van minimaal twee jaar. Ploegen vinden de risico’s te groot en leggen de verantwoordelijkheid meer en meer bij de renners. Tot 2006 wordt epo op bescheiden schaal gedoogd, wie meer wil mag het zelf uitzoeken. De ongelijkheid groeit exponentieel, en daarmee de druk op de renners. Particuliere bloedbanken in Spanje, Italië en Oostenrijk bieden behandelschema’s van tegen de 100.000 euro. Compleet met bloedtransfusies om het aantal rode bloedcellen verder op te jagen. Wie niet meedoet, haakt af bij de top.
Ook dopebestrijders voeren hun bewapening op. Justitie wordt strenger, er komen meer controles, renners moeten van uur tot uur aangeven waar ze verblijven. Ploegen onderwerpen zich aan zelfbedachte ethische codes, doorzoeken de koffers van eigen werknemers. Renners moeten dna afstaan. Wie verdacht is, mag niet fietsen tot zijn onschuld is bewezen.
Duiken
Het resultaat? In de Tour van 2007 nemen nog altijd 47 van de 189 deelnemers epo of bloedtransfusie, zegt Martial Saugry, directeur van het lab van het wereldantidopingagentschap (WADA) in Lausanne die alle bloedstalen onderzocht. Renners weten precies wanneer ze moeten ‘duiken’ om niet bereikbaar te zijn voor de controleurs. ‘Veilige’ doseringen van verboden middelen zijn tot achter de komma bekend. En anders is er wel een nieuwe epo-variant. In de Tour van 2007 dynepo, dat bij een aantal renners wordt gevonden maar om technische redenen nog niet tot straf leidt. In 2008 heet de variant cera, en worden wel direct renners gestraft.
De internationale wielerunie heeft dan al haar ultieme wapen ingezet: een biologisch paspoort waarin van de 840 beste renners bloedwaarden worden bijgehouden. Afwijkende cijfers leiden tot extra controles. Vorig jaar bleef het bij geruchten, na achttien maanden worden in juni 2009 vijf ‘schuldigen’ aangewezen. Ze worden niet gestraft, want juridisch is het paspoort niet waterdicht.
Door alle repressie lijkt dopegebruik teruggedrongen naar schimmige achterkamertjes, zoals onlangs bleek in een rechtszaak in Oostenrijk waarbij in het huis van een atletenmanager een mobiele bloedcentrifuge werd gevonden. Laatste tip uit het peloton: zorg dat je in de aanloop naar de Tour niet opvalt qua bloedwaarden en resultaat, dat scheelt extra controles en vergroot de mogelijkheden om zaterdag in Monaco in topvorm van start te gaan voor de 96ste Tour de France.
|
'Biologisch paspoort biedt schijnzekerheid' Sinds vorig jaar investeren internationale wielerunie UCI en de topploegen miljoenen euro’s om van 840 renners een biologisch paspoort aan te leggen. Regelmatige controles leiden tot een inzicht in bloed- en gezondheidswaarden. Wie afwijkt, is verdacht. Eerder deze maand maakte de UCI de namen van de eerste vijf ‘zondaars’ bekend. „Het biologisch paspoort biedt schijnzekerheid”, zegt Berend Nikkels. De huisarts uit Breda, begeleider van een aantal topsporters, voerde al in 2000 voor intern gebruik een dergelijk paspoort in toen hij ploegarts was bij SpaarSelect, de schaatsploeg van onder anderen Gianni Romme en Erben Wennemars. „Het geeft hooguit een grove indicatie, bij metingen buiten een bandbreedte kun je vermoeden dat er sprake is van iets geks. Maar het is medisch en juridisch geen bewijs dat er sprake is van dopinggeduide middelen als epo of technieken als bloedtransfusie.” Een heilloze investering? Nikkels: „Het is een pr-verhaal dat we zo vaak hebben gehoord. ‘Nu wordt het echt schoon.’ Zo proberen ze sponsors terug te krijgen. En ze stellen op basis van de verkregen gegevens een zwarte lijst op van verdachte renners, die vaker dan anderen worden gecontroleerd. Zo is Ricco gepakt in de vorige Tour. Hij moest dagelijks naar de controle.” |
