Centraal Economisch Plan (CEP)
In de maand april publiceert het Centraal Planbureau(CPB) het Centraal Economisch Plan, dat een belangrijke rol speelt bij de voorbereiding van de Rijksbegroting voor het volgend jaar. Deze laatste verschijnt op de derde dinsdag van september, samen met de Macro Economische Verkenning (MEV) Bij het opstellen van de MEV en het CEP maakt het CPB gebruik van een model van de Nederlandse economie. Daarin spelen zowel vraagfactoren als aanbodfactoren een rol. De resultaten die uit het model rollen zijn, zoals bij elk model, zeer gevoelig voor de gemaakte veronderstellingen. Daarom worden er naast de resultaten in de tabel Kerngegevens ook een of meer varianten gepubliceerd. Hieronder een voorbeeld met getallen uit het CEP 2004. De tabel laat een aantal veronderstellingen zien en de op grond daarvan met het model berekende resultaten.
Ondanks het veronderstelde herstel van de wereldhandel ontwikkelt het exportvolume van in het binnenland geproduceerde goederen en diensten zich zwak. Een gevolg van onze verslechterde concurrentiepositie. Ook consumptie en investeringen laten het afweten. Met als resultaat een zeer matig herstel van de groei van het bruto binnenlands product en inzakken van de werkgelegenheid. En een scherp oplopende werkloosheid. Het vorderingentekort van de collectieve sector (EMU-tekort) schiet, als er geen maatregelen worden genomen, door de 3%-grens van het Stabiliteitspact heen naar 3,3%.
Onzekerheidsvarianten
Voorspellen is moeilijk. De toekomst heeft allerlei verrassingen voor ons klaar liggen. Wie weet in maart 2004 hoe de wereldeconomie zich werkelijk zal ontwikkelen? Het Planbureau merkt op dat over het verloop van de eurokoers op korte termijn veel onzekerheid bestaat. Het grote tekort op de lopende rekening van de Verenigde Staten kan tot verdere appreciatie van de euro leiden. Maar ook een depreciatie is denkbaar, bijvoorbeeld als gevolg van gunstiger groeiverwachtingen in de Verenigde Staten. Daarom worden in bijgaande tabel de effecten van een voortgaande appreciatie met 10 cent tot 1,35 dollar getoond. De sterkere uitvoer leidt tot een lagere uitvoer als gevolg van een verslechtering van de prijsconcurrentiepositie.De tabel moet als volgt worden gelezen: in de tabel Kerngegevens kan worden afgelezen dat bij een eurokoers van 1,25 in 2004 en 2005 bijvoorbeeld het bruto binnenlands product groeit met 1,25% in 2004 en met 1,5% in 2005. Zou de euro eind 2004 oplopen naar 1,35 en deze koers in 2005 handhaven dan gaat er in 2004 0,1 punt van de bbp-groei af (wordt dus 1,15%); in 2005 gaat er 0,5 punt van de bbp-groei af (wordt dus 1%). Het EMU-tekort blijft in 2004 3,3%, maar in 2005 wordt het niet –2,9 maar –3,1%.
Je kunt je afvragen of dat vooruitberekenen wel zin heeft, als het toch meestal niet uitkomt. Op die vraag zijn twee antwoorden mogelijk. Ook al kloppen de cijfers niet altijd even goed, de richting van de verandering wordt meestal goed aangegeven. Dat geeft houvast bij het maken van de keuzes voor het economisch beleid. Daar komt nog bij, dat veel vooruitberekeningen niet uitkomen, omdat de regering haar beleid op grond van die voorspellingen verandert. Het voorspelde EMU-tekort van 3,3% in 2004 geeft aanleiding tot verder bezuinigen. De voorspellingen ondermijnen zodoende zichzelf. Dit is vanzelfsprekend geen reden om de vooruitberekeningen niet te maken.
