Ongemakkelijk vlees uit het lab
Gekweekte varkenscellen leveren vlees zonder dierenleed. Economische Zaken investeert in onderzoek voor dit ‘kweekvlees’, maar mensen halen hun neus ervoor op.
Utrecht, 3 juli. „Dit is afschuwelijk.” Resoluut prakt een man op de voorste rij het merg terug in de pijp. Een jongen in laboratoriumjas heeft hem zojuist een stuk bot, verfraaid met een crostino, op een petrischaaltje overhandigd. De man zoekt bijval, maar zijn buren lepelen de grijze substantie enthousiast naar binnen.
De bezoekers van het symposium over kweekvlees, afgelopen vrijdagavond in het Centraal Museum in Utrecht, kregen waarvoor ze betaald hadden: ‘controversiële hapjes’ met merg, bloed, gluten en agar, een kweekmedium voor cellen. Kweekvlees was niet voorhanden. Wetenschappers kunnen wel een beetje muizenspierweefsel maken, maar dat is geen aantrekkelijk gerecht. Het serveren van een eetbare portie kweekvlees van een smakelijke diersoort als het varken bleek nog niet haalbaar.
In plaats daarvan boden de organisatoren van het Arts & Genomics Centre van de Universiteit van Leiden de volle zaal een avondvullend programma met plaatjes van geëlektrokuteerde spiervezels, met ethische verhandelingen over transgene konijnen en met ongemakkelijke hapjes, zoals hosties uitgereikt door ‘priesters’ in witte laboratoriumgewaden. Het lijkt de vraag of dit het imago is waarmee kunstvlees op termijn de markt zou moeten veroveren.
Vleeswetenschapper Henk Haagsman van de Universiteit van Utrecht pleitte voor Nederland als marktleider in kweekvlees. Wel vlees, nauwelijks dierenleed, want voor kweekvlees is maar een beperkt aantal dierlijke stamcellen nodig.
Het idee is als volgt. Uit biggenbeenmerg of een klompje cellen dat uit een kunstmatig bevruchte eicel van een varken is ontstaan, worden eenmalig stamcellen gehaald. Deze kunnen zich in een groeimedium vermenigvuldigen. Met de juiste groeifactoren groeien de stamcellen uit tot spiercellen, die weer fuseren tot spiervezels. Samen met toegevoegde bindweefselcellen maakt dit vlees stevig. De kleine vezels groeien verder door ze op te rekken of onder stroom te zetten. En dan heb je eigenlijk al gehakt. „Er zijn in alle stadia nog horden te nemen”, zegt Haagsman. „We moeten geschikte varkensstamcellen en de juiste groeifactoren vinden, en een manier om de cellen tot een dikke plak te laten groeien.”
Economische Zaken doneerde in 2005 twee miljoen euro voor onderzoek naar kweekvlees. De universiteiten van Amsterdam, Utrecht en Eindhoven en worstenfabrikant Stegeman legden 2,3 miljoen euro bij. Geld voor de ontwikkeling van een product waar de gemiddelde burger zijn neus voor ophaalt. Zelfs onder het geïnteresseerde publiek van vanavond is weerstand. Wie zou het eten? Communicatieadviseur Birgitta van Loon en haar dochter Florentine kijken aarzelend. „Het ligt eraan hoe het eruit ziet”, zegt Florentine met opgetrokken neus. De gymnasiaste schrijft een proefwerkstuk over de invloed van biologie op kunst. Zodra ze erachter komt dat het tweede hapje, een slap worstje met appelsaus uit een pipet, is gemaakt van Baambrugs biggenbloed, spuugt ze het terug in het bakje. „Ik eet nooit vlees.”
Kweekvlees zit voor veel mensen op de grens van wat ze kunnen verdragen. „De consument van nu wil juist natuurlijk, biologisch voedsel uit boerderijwinkels”, zegt fooddesigner Mariëlle Bordewijk. „Geen spul dat we associëren met laboratoria.”
Michiel Korthals, filosoof aan de Wageningen Universiteit, vindt dat de wetenschap geen sappige biefstukjes moet proberen te maken, want dat lukt toch niet. Kweekvlees kan goed dienst doen als grondstof in sauzen of pizza’s. Van Loon: „Ik weet niet of deze kunstmanifestatie reclame voor kweekvlees is. Waar zijn de bedrijven, de topkoks? Kweekvlees heeft een Jamie Oliver nodig.”
Op deze avond zonder kweekvlees wilde de Amsterdamse voedselkunstenares Debra Solomon met de hapjes aantonen dat het niet nodig is te investeren in laboratoriumvoedsel. „Met ongebruikte dierenresten als bloed en merg en eiwitrijke producten als bonen en seitan kom je al een heel eind.”
