Bloedverwantschap oorzaak allochtone babysterfte

Door onze redactie wetenschap

Rotterdam, 12 juni. De hogere babysterfte in Turkse en Marokkaanse families in Nederland is deels te verklaren door bloedverwantschap tussen de moeder en de vader.

Baby’s van Surinaamse en Antilliaanse moeders daarentegen overlijden vaker in het eerste jaar na de geboorte, omdat ze lichter zijn en vroeger geboren worden. Dat blijkt uit onderzoek van het Rotterdamse Erasmus MC, waarop Ernst-Jan Troe over twee weken promoveert.

Volgens de onderzoekers maakt de studie voor het eerst duidelijk dat de oorzaken van hogere babysterfte in allochtone families verschillen tussen bevolkingsgroepen. Hoogleraar maatschappelijke gezondheidszorg Johan Mackenbach van het Erasmus MC, die Troe begeleidde: „Dat is belangrijk, want dan moet je niet aankomen met een eenheidsbehandeling.” Troe gebruikte cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek en uit de Generation R-studie, een onderzoek onder bijna tienduizend Rotterdamse kinderen en hun ouders.

Er is de afgelopen jaren veel aandacht voor kinderen die rond de geboorte en in het eerste levensjaar overlijden. In 2003 bleek dat in Nederland anderhalf keer zoveel baby’s in de maand na de geboorte sterven als in de best scorende Europese landen. De sterfte onder allochtonen in Nederland is echter nog eens bijna anderhalf keer zo groot als onder autochtonen. Bezien over het hele eerste levensjaar gaan er van de duizend allochtone baby’s zes of zeven dood. De hoge babysterfte in allochtone gezinnen draagt daarmee ook bij aan het hogere Nederlandse gemiddelde.

Turkse en Marokkaanse baby’s sterven relatief vaak later in het eerste levensjaar, en ook vaak aan aangeboren afwijkingen. De onderzoekers berekenden dat 5 tot 23 procent van de sterfte het gevolg is van bloedverwantschap. Eén op de vijf paren in die etnische groepen was neef en nicht, of achterneef en -nicht.

Onder Turkse moeders, vooral die van de tweede generatie allochtonen, speelt bovendien roken een rol. Dat kan wiegendood veroorzaken. Mackenbach: „Daarom is het ook belangrijk dat moeders eerder met de prenatale zorg in aanraking komen. Dan kun je de gevolgen van roken en die van bloedverwantschap nog beperken.” In het geval van bloedverwantschap en afwijkingen in de familie zouden paren kunnen besluiten om geen kinderen te krijgen, of om prenatale tests laten doen.

De sterfte van Antilliaanse en Surinaamse baby’s in Nederland hangt voor een belangrijk deel af van de lengte van de moeder, en die van de vader. Daaraan zal op korte termijn weinig veranderen. Mackenbach: „Een kleine moeder heeft in het bekken weinig ruimte voor een groot kind. Daarnaast weerspiegelt de lengte de gezondheid van de moeder eerder in het leven.”

Wel zou het aantal tienerzwangerschappen, dat sinds 2001 daalt maar vooral onder Antilliaanse moeders nog hoog is, verder kunnen verminderen. Tienerzwangerschappen dragen namelijk ook bij aan de babysterfte.

Gerelateerde artikelen:

Gepubliceerd in:
Wetenschap
Binnenland