Tot aan het meest afgelegen platteland reikt het mobieltje

Een 'call box' is een winkel om mobiel te bellen. Deze staat in Ndjamena, de hoofdstad van Tsjaad, en is tegelijk kapsalon.
Door onze redacteur Dick Wittenberg

De komst van mobiele telefonie betekent een sociale revolutie op het Afrikaanse platteland. Na politici en krijgsheren zijn nu de boeren aan de beurt.

Utrecht, 9 sept. ’s Ochtends bij het ontbijt krijgt Mirjam de Bruijn vaak telefoon uit Mali. De herder Ahmadou belt de eigenaar van een deel van zijn kudde. „Ik wil je even groeten”, zegt hij in de plaatselijke taal fulfulde, zittend onder een boom te midden van zijn koeien.

Sinds Mirjam en Ahmadou elkaar tijdens haar promotieonderzoek in de jaren negentig ontmoetten, heeft de mobiele telefoon de actieradius en de horizon van de herder verlegd. Zijn stem reist verder dan hij met zijn kudde ooit zal komen. Eén toets scheidt hem van de markt in de stad.

Dat is de ontwikkeling die Mirjam de Bruijn vrijdag beschreef in haar intreerede als hoogleraar afrikanistiek aan de Universiteit Leiden. Een op de drie Afrikanen maakt gebruik van een mobieltje. Bij de eeuwwisseling was dat nog een op vijftig. Tot aan het meest afgelegen platteland, waar het asfalt en de telegraaf nooit zijn gekomen, reikt het mobieltje. De titel van de oratie: De telefoon heeft benen gekregen. Mobiele communicatie en sociale verandering in de marges van Afrika.

Als ontwikkelingsantropoloog doet De Bruijn al ruim twintig jaar onderzoek naar nomaden, oorlogsmigranten en straatkinderen in zogeheten ‘marginale gebieden’: arme, afgelegen streken in Afrika. „Ik ben gefascineerd door mensen die in de marge leven”, vertelt ze thuis in Utrecht. „Hoe doen ze dat in hemelsnaam?”

De Bruijn zag hoe de mobiele telefoon hun wereld de laatste jaren ingrijpend heeft veranderd. Ze denkt dat de mobiele communicatie juist kansen biedt – sociaal, cultureel, economisch, politiek – voor gebieden die nauwelijks infrastructuur hebben en door de staat van oudsher zijn verwaarloosd. Daar zal ze de komende jaren graag onderzoek naar doen.

Tien jaar geleden kwam de Afrikaanse elite in aanraking met het mobieltje. Snel daarna volgden de krijgsheren en rebellenleiders in de bush. Kort daarop kregen stedelingen en handelaren de smaak te pakken. Sinds kort zijn de boeren aan de beurt. Al voor twintig euro hebben ze een nieuw mobieltje, plus simkaart, plus bescheiden beltegoed.

Ze hoeven niet meer naar de markt om de dagprijs van cassave te weten. Ze hoeven niet meer naar de stad om verwanten schoolgeld voor de kinderen te vragen. Vorige week belde de Rabobank met De Bruijn om te komen praten over de mogelijkheden voor telebankieren in Afrika.

De Bruijn vertelt over de wijdvertakte bedrijvigheid die door de opkomst van de mobiele telefonie in Afrika is ontstaan, vooral in de steden.

Daar wonen de grote en middelgrote handelaren die grote partijen mobieltjes kopen in Dubai om ze op de plaatselijke markten stuk voor stuk te verkopen. Daar zijn ook de reparatiewerkplaatsen voor tweedehands apparaten. Daar marcheert een leger van overwegend vrouwen door de kleinste straten: de verkoopsters van beltegoed. Wie zelf geen telefoon heeft, kan tegen een geringe vergoeding hun mobiel gebruiken. Ze zijn wandelende telefooncellen. Ze brengen de wereld binnen ieders bereik.

In de steden zetelen ook de servicecentra van westerse telecombedrijven als Zain. Dat bedrijf infiltreerde met Nederlands ontwikkelingsgeld de Afrikaanse markt, toen het nog Celtel heette en zijn hoofdkantoor in Hoofddorp had.

Volgens hoogleraar afrikanistiek Mirjam de Bruijn exporteren westerse telecombedrijven als Celtel niet alleen de westerse technologie maar ook het westerse ontwikkelingsmodel met hun gekoelde, kraakschone winkels, hun modieus geklede personeel en hun Ikea-meubels. De Afrikaanse staten zijn blij met de belasting die ze betalen. Hun megawinsten verdwijnen naar het Midden-Oosten en het Westen.

De mobiele telefoon bevordert de trek naar de stad, zegt De Bruijn. Nomaden slaan hun kamp dichter bij de stad op om mobiel bereikbaar te zijn en hun mobieltje op te kunnen laden. De mobiele telefoon vergemakkelijkt het organiseren van protesten, zegt De Bruijn. Dat bleek bij studentenacties in Kameroen twee jaar terug. Maar het mobieltje kan ook de greep van de gevestigde orde versterken. Steeds meer politieke partijen en kerken in Afrika bestoken telefoonbezitters met sms’jes.

Of de mobiele telefoon in Afrika uiteindelijk bijdraagt aan structurele ontwikkeling, valt nog te bezien, zegt De Bruijn. Zij noemt het mobieltje „een venster op mogelijke veranderingen in de samenleving die zich aan het ontvouwen zijn”. Zij prijst zich gelukkig dat ze die ontwikkelingen de komende jaren mag volgen in het maatschappelijk „laboratorium” dat Afrika heet.

Flashen en beepen met de gsm in Afrika

Omdat bellen voor veel Afrikanen te duur is, sms’en ze liever. Analfabeten willen opeens letters leren om te kunnen sms’en. In veel Afrikaanse landen ontstaan sms-talen. Nog populairder, want gratis, is het flashen zoals het in Malawi heet, of het beepen zoals het in Kameroen wordt genoemd. Beepen is iemand bellen en de telefoon een of twee keer laten overgaan, zonder dat de ander opneemt. Meestal is het de bedoeling dat de ander terugbelt. Soms neemt het de vorm aan van telefonisch stalken. De persoon die wordt gebeept, wordt als rijker beschouwd. Beepend geven mensen elkaar ook boodschappen door. Eén beep aan een vriend of vriendin elk uur is dan: ik mis je. Twee beeps om zes uur: het eten staat klaar.

Mobiliteit in Afrika

Mirjam de Bruijn (1962) werd vorig jaar juni aangesteld als hoogleraar afrikanistiek aan de Universiteit Leiden. Ze houdt zich bezig met de contemporaine geschiedenis en antropologie van West- en Centraal-Afrika. Twintig jaar geleden studeerde ze in Leiden af op nomadische culturen en ontwikkelingsantropologie.

Samen met haar man Han van Dijk promoveerde ze in 1995 cum laude op onderzoek naar nomadische samenlevingen en droogte in Mali. Sinds 1997 is ze verbonden aan het Afrika-Studiecentrum in Leiden. In Mali, Kameroen en Tsjaad deed ze onderzoek naar de manier waarop mensen in afgelegen gebieden omgaan met droogte en conflict. Met zeven onderzoekers begon ze dit jaar een studie naar communicatie, mobiliteit en marginaliteit in vier Afrikaanse landen. Onderzoeksorganisatie NWO betaalt het project.

Gepubliceerd in:
Wetenschap