Schnabel over werkende moeders en dochters
Anne van Putten – The role of intergenerational transfers in gendered labour patterns – Amsterdam, Aksant, 187 blz. Universiteit Utrecht, 29 juni 2009. Promotoren: prof.dr. J.J. Schippers, prof.dr.P.A.Dykstra
‘Ha’, zou Heleen Mees zeggen, als ze eraan gedacht had, ‘precies wat ik altijd al heb gedacht.’ Ik zou er zelf niet op gekomen zijn, maar uit het proefschrift van Anne van Putten blijkt dat dochters van werkende moeders zelf als volwassene meer uren per week werken dan dochters van moeders die alleen de huishouding deden. Intergenerationele overdracht van een gedragspatroon heet zoiets. Sociale erfelijkheid zou je het ook kunnen noemen. Om meteen elk misverstand te voorkomen: het onderzoek laat dus niet zien dat dochters van moeders die niet buitenshuis werkten, zelf ook thuis blijven. Dat kan ook moeilijk, want van de vrouwen tussen 15 en 65 jaar is tegenwoordig bijna 65 procent aan het werk, dertig jaar geleden was dat ongeveer 30 procent. Nederland hoort nu zelfs tot de landen met de hoogste arbeidsparticipatie van vrouwen, maar echt wereldkampioen zijn we in het werken in deeltijd. Gerekend vanaf één uur betaald werk per week is van de vrouwen 75 procent in deeltijd werkzaam en van de mannen 25 procent. Zwitserland is het land dat met 55 procent vrouwen in deeltijd het dichtst bij ons in de buurt komt. In België, Duitsland en Engeland gaat het om bijna de helft van de vrouwen. In de Verenigde Staten komt in deeltijd werken maar weinig voor, bij ongeveer 25 procent van de vrouwen en 5 procent van de mannen.
Vrouwen wier moeder werkte, werken zelf gemiddeld anderhalf tot twee uur per week meer dan vrouwen zonder werkende moeder. Het verschil is significant, maar bij een gemiddelde werkweek van ongeveer 25 uur toch moeilijk spectaculair te noemen. De niet-intergenerationeel bepaalde veranderingen lijken mij toch belangrijker als we kijken naar de snel gestegen arbeidsparticipatie van gehuwde vrouwen en vooral ook moeders. De opvattingen in de samenleving zijn op dat gebied ook zeer veranderd.
Toen ik in 1960 naar het lyceum ging, was er één jongen in de klas wiens moeder werkte. Conservatief als kinderen zijn, voelden wij alleen maar minachting voor zijn vader, die kennelijk niet in staat was zelf zijn gezin te onderhouden. In die tijd had ook 85 procent van de Nederlanders bezwaar tegen het buitenshuis werken van gehuwde vrouwen met kinderen. Nu vindt nog ongeveer 10 procent dat. Nog veel voor huidige maatstaven, zeker als je bedenkt dat het dus niet gaat om echt kleine kinderen. Het uitbesteden van baby’s en peuters ligt nog altijd gevoelig. Ook jonge moeders die blijven werken – en dat is tegenwoordig meestal het geval – willen zelden dat hun kind vier of vijf dagen in de week naar de crèche of de opvang gaat. Als ze dat wel doen, gaan de wenkbrauwen van familie en vrienden al gauw fronsend omhoog. ‘Waarom heb je een kind als je er geen tijd voor hebt’ is dan de onuitgesproken vraag.
Goed voorbeeld doet goed volgen. Van Putten vond dat zonen van vaders die meehielpen in de huishouding dat zelf ook meer doen dan wanneer dat niet het geval was. Zo’n verschil kon niet aangetoond worden voor de verzorging van de kinderen. Andere determinanten zijn daar belangrijker, met name de tijd die vooral de vader beschikbaar heeft voor de kinderen. Uit ander onderzoek weten we dat in het gemiddelde gezin vergeleken met vroeger minder uren aan de huishouding besteed worden, maar niet minder uren aan de kinderen. De rol van de vader daarbij is ook niet meer die van de spreekwoordelijke man die ’s zondags het vlees komt snijden.
Aardig en terecht is de aandacht die in het onderzoek van Van Putten ook besteed wordt aan de rol van de grootouders in het gezin. Ze zijn favoriet voor de kinderopvang, maar leveren in veel gevallen ook een belangrijke bijdrage in het huishoudelijke werk en aan het uitvoeren van klusjes. Moeders van jonge kinderen die hulp krijgen van hun eigen ouders hebben een wat hogere kans op arbeidsdeelname en werken gemiddeld ook meer uren per week. Betaalde huishoudelijke hulp leidt overigens tot duidelijk wat meer uren arbeidsparticipatie en in het geval van betaalde kinderopvang wordt er zelfs bijna een hele dag meer gewerkt. Dat is substantieel en brengt Van Putten tot het advies om de ‘witte werkster’ met behulp van subsidies weer te laten herleven. Ik denk niet dat daar iemand op zit te wachten, de huidige werksters in ieder geval al helemaal niet, zoals in het verleden al wel is gebleken. Verdere verbetering en uitbreiding van de kinderopvang lijkt me een realistischer en beter idee.
Als ouders echt oud worden, zijn zij het die hulp nodig hebben. Het geven van mantelzorg is in Nederland nog steeds heel gewoon en heel algemeen. Net als andere onderzoekers komt ook Van Putten tot de conclusie dat werken het verlenen van mantelzorg niet in de weg staat. Daar zijn wel een paar kanttekeningen bij te maken. In haar onderzoek zijn alleen mensen opgenomen die nog werken. Wie wegens het verlenen van mantelzorg niet langer in staat is dat met werk te combineren, valt buiten het bestek van dit onderzoek. Mantelzorg wordt bovendien vooral gegeven door oudere mensen aan heel oude mensen (hun ouders namelijk). In vrij veel gevallen is men dan al met werken gestopt en zijn er ook geen kinderen meer thuis. Een reëel probleem in de mantelzorg is de verkleining van de gezinnen, die ertoe leidt dat in geval van dementie en dus intensieve mantelzorg de hele zorg op vaak niet meer dan een of twee kinderen neerkomt. Dat is vaak heel moeilijk vol te houden en in veel gevallen zullen mantelzorg en thuiszorg (professionele hulp) dan ook samen de problemen moeten oplossen.
Dit proefschrift biedt een aantal interessante nieuwe inzichten en weet ook heel goed de verbinding met de internationale wetenschappelijke literatuur en een hele reeks van theorieën te leggen. Er worden heel wat hypothesen zorgvuldig en netjes getoetst. Het gebruikte datamateriaal – de Netherlands Kinship Panel Study – is wel niet door de onderzoeker zelf verzameld, maar gelukkig wel van hoge kwaliteit. Toch blijft bij alle waardering voor het vakmanschap wel een beetje het gevoel hangen dat de berg een muis gebaard heeft.
