De appel viel echt, maar niet op Newtons hoofd

Margriet van der Heijden

‘Na het eten, het was lekker weer, liepen we de tuin in en dronken we thee in de schaduw van wat appelbomen, alleen hij en ikzelf.’ Zo begint, in zwierige letters, de tekst op de voorplaat. Geschreven door William Stukeley (‘ik’) in diens in 1752 te boek gestelde herinneringen aan Sir Isaac Newton (‘hij’). En in wat er volgt, kan iedereen nalezen dat er nooit een appel op Newtons hoofd is gevallen. Of in elk geval niet toen hij zijn beroemde theorie voor de zwaartekracht bedacht. De appel viel gewoon op het gras, dat was genoeg. ‘Waarom zou die appel altijd recht naar de grond moeten vallen?’, vroeg Newton zich volgens Stukeley af. ‘Waarom zou hij niet naar opzij bewegen , of omhoog? (...) Ongetwijfeld is de reden dat de aarde hem aantrekt. Er moet een aantrekkende kracht in materie schuilen.’ En het geniale van Newton was dat hij het niet bij die appel liet. Zoals Stukeley schrijft: ‘...stap voor stap begon hij die eigenschap van gravitatie toe te passen op de beweging van de aarde en van de hemellichamen (...) en zo ontvouwde hij de kosmos.’ De Memoirs of Sir Isaac Newton’s life van Stukeley zijn sinds deze week voor iedereen te lezen op de website van de Royal Society

Gepubliceerd in:
Wetenschap