VOC-glorie: stug, verbleekt en overal gaatjes van de passer
Honderdduizend kaarten gingen mee op de machtige Indiëvaarders van de VOC. 350 zijn er bewaard gebleven.
Rotterdam, 29 juni. Duizenden zeekaarten zijn er in de zeventiende en achttiende eeuw gebruikt op schepen van de Vereenigde Oostindische Compagnie, slechts een fractie is bewaard gebleven. Nu is er eindelijk een omvangrijke studie naar gedaan: Sailing for the East, door de emeritus hoogleraar historische cartografie Günter Schilder en oud-vliegenier Hans Kok (HES & De Graaf, 707 blz, euro 175). Het gaat om scheepskaarten, niet om de veel bekendere fraaie gedrukte kaarten met uitgewerkte cartouches en figuratieve afbeeldingen van schepen, zeewezens en mensentypen. Die dienden als decoraties aan de muur of werden ingebonden in atlassen. Het betreft hier de op perkament getekende kaarten die aan boord werden gebruikt.
In tweehonderd jaar hebben VOC-schepen zo’n 5.000 heen- en 3.000 retourreizen gemaakt. Dat het aantal ongelukken relatief beperkt bleef, is te danken aan de ervaring van de stuurlieden, hun nautische instrumenten en de voortreffelijke cartografische dienst van de VOC. In een artikel van R. Paesie in het tijdschrift Caert Thresoor (29, 2010, nr. 1) wordt berekend dat die dienst alleen al tussen 1602 en 1753 ten minste 70.000 kaarten heeft geproduceerd. De totale productie zou dus wel eens tegen de 100.000 kunnen lopen. Een fractie daarvan, ongeveer 350, is bewaard gebleven. Die zijn nu alle beschreven en grotendeels afgebeeld in Sailing for the East. Eenderde van het boek wordt ingenomen door inleidingen op de organisatie van de VOC, het cartografisch bedrijf, de navigatie en de navigatie-instrumenten. Op een bijgeleverde cd-rom kan men relevante archiefstukken lezen.
De maritieme praktijk der Nederlanders was, totdat zij omstreeks 1600 zelf naar Azië gingen varen, slechts gebaseerd op ervaring en op een goed geheugen. Maar bij oceaanvaart is dat niet meer genoeg. Stuurlieden moesten koers, positie en afgelegde afstand bepalen zonder houvast aan een waarneembare kust. Ze konden de geografische breedte schatten aan de hand van hemellichamen en daar was veel meer theoretische kennis voor nodig en bovendien exacte kaarten. Stuurlieden moesten zich dus scholen en dat gebeurde in de praktijk, op navigatieschooltjes en door middel van handboeken. De VOC examineerde haar stuurlieden.
Die kaarten werden vervaardigd door de hydrografische en cartografische dienst van de VOC te Amsterdam en te Batavia en in mindere mate door kaartenmakers in Middelburg, Hoorn en Enkhuizen.
Elk schip dat naar Azië voer kreeg verplichte sets mee voor de schipper en voor zijn stuurlieden. Er waren grote, gestandaardiseerde overzichtskaarten van de Atlantische en de Indische Oceaan en gedetailleerde kaarten van het Kanaal en de Indonesische Archipel. De zeelieden moesten daar zuinig op zijn – het was bedrijfsgeheim – en ze bij aankomst inleveren. De kaartenmakers konden verbeteringen aanbrengen op nieuwe kaarten. En zo werd dit materiaal voortdurend geactualiseerd.
Deze kaarten op perkament konden tegen een stootje, weerstonden zeewater en waren soepel. Ze werden opgerold bewaard in blikken kokers. Ze zijn inmiddels stug geworden, ietwat verbleekt en dragen gebruikssporen zoals gaatjes van passers, uitgestippelde koersen en aantekeningen.
Onnoemelijk veel zijn er verloren gegaan: vernietigd wegens ouderdom of achterhaalde informatie, soms hergebruikt als boekband. Wat er over is, is verspreid over musea, bibliotheken of wordt gekoesterd door verzamelaars. Het is des te bewonderenswaardiger hoeveel exemplaren de historische cartograaf Günter Schilder tijdens zijn decennialange speurtochten over de aardbol er heeft weten op te sporen. Hij en Hans Kok zijn verantwoordelijk voor deze fraaie en gedegen uitgave. Met zijn vele afbeeldingen, niet alleen van de kaarten, maar ook van instrumenten en historische voorstellingen, is het een ware schatkamer.
