Nieuwe hypothese geeft elegante verklaring voor snelle einde van ijstijd
Onderzoekers denken het antwoord te weten op de vraag waarom ijstijden zo snel konden verdwijnen.
Rotterdam, 4 juli. Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat ijstijden, die de laatste miljoen jaar elk afzonderlijk toch wel zo’n 100.000 jaar duurden, binnen een luttele 15.000 jaar konden omslaan in hun tegendeel? En hoe slaagde het zuidelijke halfrond er elke keer in de ontwikkelingen op het noordelijke halfrond naar geologische maatstaven zo razendsnel te volgen? Daarop menen Amerikaanse onderzoekers het antwoord te hebben gevonden. Het is nog maar een hypothese, maar een elegante hypothese die rijen afzonderlijke, vaak moeilijk te duiden waarnemingen op een logische wijze verbindt. Zij berichten erover in Science van 25 juni.
Door het gemeenschappelijk effect van een drietal ritmische veranderingen in de baan van de aarde neemt de zomerse zonne-instraling van de aardstreken rond de Noordpool met een periode van ongeveer 100.000 jaar toe en af. Dat is in overeenstemming met de theorie van Milankovic (1930) die als eerste de invloed van de baanveranderingen berekende. Voor het zuidelijke halfrond zijn de veranderingen veel kleiner, maar toch doet dat steeds vrolijk mee in de afwisseling van koud en warm.
Ongeveer 20.000 jaar geleden begon het ijs op het noordelijk halfrond zich na een gestage aangroei van zo’n 100.000 jaar opeen weer geleidelijk terug te trekken en 7.000 jaar geleden was van de enorme ijskap die ooit Noord-Amerika bedekte bijna niets meer over. Rond Antarctica begon het ijsverlies wat later, ruwweg 18.000 jaar geleden, maar was het eerder voltooid: ongeveer 11.000 jaar geleden.
George Denton (universiteit van Maine) en zijn collega’s bedachten een keten van gebeurtenissen die de mondiale koppeling tussen noord en zuid tot stand kon brengen. Ze baseerden zich daarbij op sporen van klimatologische veranderingen die zijn achtergebleven in het ijs van Groenland en Antarctica, in het slib van de oceaanbodem en in diepe grotten.
Denton c.s. stellen zich voor dat het eerste ijsverlies rond de Noordpool zóveel ijs en smeltwater in de oceaan bracht dat het de warme Golfstroom afremde of zelfs tot stilstand bracht. Van de weeromstuit kon het zeeijs rond Groenland zich ’s winters veel verder uitbreiden dan voorheen. Op zijn beurt beïnvloedde dat het atmosferisch stromingspatroon, de loop van depressies en de situering van passaten en moessons. Klimaatmodellen maken dat waarschijnlijk. Westenwinden kwamen dichter bij Antarctica te liggen dan voorheen. Ze verdreven daar het zeeijs en versterkten een lokale oceanische ‘opwelling’ die veel extra CO2 in de atmosfeer bracht. Zo werd de Milankovic-opwarming mondiaal versterkt. Andere onderzoekers hebben de hypothese al ‘overtuigend' genoemd.
