Integrale tekst Pietje Bell lezing van Mei Li Vos

Pietje Bell-lezing

Mei Li Vos

Maar zeur niet.

Enkele gedachten over de vermeende strijd van de generaties

Met meer ouderen en minder jongeren dreigt er een generatieconflict. Althans volgens economen die vooral kijken naar de bekostiging van de zorg en de pensioenen. Politici daarentegen willen, zo vlak voor de verkiezingen, benadrukken dat de gestegen levensverwachting alleen maar goed nieuws is. Beide groepen redeneren louter economisch. Beide baseren zich op andere cijfers om hun standpunten kracht bij te zetten. Mei Li Vos, een van de oprichters van het Alternatief voor Vakbond en kandidaat-Kamerlid voor de PvdA, beschouwt de cijfers, maar wil het hebben over de echte conflicten. Dat betekent: minder zeuren om oude mensen en de dingen die voorbijgaan, en meer zeuren over zinnige zaken.

[Let op: Lucebert gebruikte alleen KLEINE letters]

de zeer oude zingt:

er is niet meer bij weinig

noch is er minder

nog is onzeker wat er was

wat wordt wordt willoos

eerst als het is is het ernst

het herinnert zich heilloos

en blijft ijlings

alles van waarde is weerloos

wordt van aanraakbaarheid rijk

en aan alles gelijk

als het hart van de tijd

als het hart van de tijd

Lucebert

(Verzamelde gedichten.

Amsterdam: De Bezige Bij, 2002)

Nu ik er zo over nadenk weet ik waarom sommige mensen mij soms charmant, bij vlagen irritant of ronduit onuitstaanbaar vinden. Ik kom uit twee geslachten. Een ondernemersgeslacht en een onderwijzersgeslacht. Een dodelijke combinatie, want daar word je zowel verschrikkelijk eigenwijs als belerend van. Er zit ook nog een vleugje dominee bij, mijn ondernemende Chinese opa placht in zijn vrije tijd te preken, en mijn vader ook, naast zijn praktijk als consultant. Een bijzonder irritante combinatie, ik weet het.

Nu kan ik me niet beroemen op het succes van mijn voorvaderen. Het ondernemen ging in de regel volgens het principe ‘twaalf ambachten, dertien ongelukken’ en naar mijn weten is van de andere kant ook geen hoogleraar voortgekomen uit de noeste vlijt van het boeken lezen, schrijven en erover doceren. Ook heeft geen van mijn voorouders zelf een kerk gesticht, de preken die mijn opa in het Jappenkamp hield voor zijn medegevangenen tellen niet mee in de kerkgeschiedenis, vermoed ik. We zijn met z’n allen een bescheiden middenklasse gebleven en we dragen dit middelmatige lot goedmoedig. Tenslotte bleven we calvinist.

Als calvinist, maar vooral als een kind van de stille generatie, van de mensen dus die geboren werden tussen 1930 en 1945, wil ik het vandaag met u hebben over de vermeende strijd der generaties. Laat ik u, zeker gezien de gezegende gemiddelde redelijke leeftijd van de aanwezigen, direct geruststellen: er hoeft geen strijd tussen de generaties te komen. En al helemaal niet over iets onbenulligs als geld. Geld daarentegen heeft ons allen wel verpest. Wat dat betreft spreek ik eerder over de collectieve last van onze generaties. Alle nu levende generaties. En die last gaat absoluut over geld. Vooral over het teveel aan geld.

Ik neem u mee in een anekdotische geschiedenis van onze generaties en ons geld, om u te overtuigen van mijn stelling dat er geen strijd tussen de generaties hoeft te zijn. Ik structureer mijn betoog aan de hand van drie stellingen:

1. De geschiedenis vertoont een stijgende lijn. Alles stroomt en niets blijft. De hegeliaanse synthese is altijd beter van kwaliteit dan de aanvankelijke these

2. Armoede is relatief en de Wet van het Behoud van Ellende gaat ook hier op. Anders gezegd: een luxeprobleem is ook een probleem

3. We moeten meer luisteren naar dode dichters

De vooruitgang

Vroeger was alles beter. Maar we zouden nu en niet vroeger willen leven. Iets meer dan een halve eeuw geleden waren we bijna allemaal, op een enkele uitzondering na, arm. Ik ga chargeren, maar dit zijn de verhalen die mij van diverse kanten zijn overgeleverd.

Een boterham met tevredenheid, je mocht al tevreden zijn dat je die kreeg. Een keer per week vlees, en dan hebben we het niet over de lellen gehakt of de halve kippen die we nu onder vlees verstaan, maar een zorgvuldig doorstoofd stuk taai vlees dat door de draderige structuur groter leek dan het was. En dan een paar draadjes daarvan. Doorleren was een luxe. Zodra je een beetje kon werken, ging je werken. Dichtbeschreven schriftjes, er was niet zoiets als voor elk vak en elk blok een apart schrift. Potloden die tot het laatste stompje werden opgeschreven. Een paar kleren voor de winter, een paar voor de zomer, àls je ze al had, en dan omdraaien, verstellen, en doorgeven aan de kleinere kinderen. Wakker worden met ijsbloemen op de ramen. Eens per week in de wastobbe, in het water van je oudere broertjes en zusjes. Niks geen rulle badjassen, of warmgestookte badkamers. Er was niet eens een badkamer.

Het tellen van dubbeltjes, na zorgvuldig omdraaien. Luiers zelf wassen. Op een oude fiets naar het werk, als je geluk had, anders ging je maar lopen. Zesdaagse werkweken. Maar ja, wat kon je anders doen, er was niet veel te doen.

Op zondag mocht je niks doen, en dat scheelde want er was ook niks te doen. Door de week handwerkjes bij een schaars lamplichtje. Die paar boeken nog maar een keer lezen. Met de kippen op stok, het licht was al gedoofd en er was toch niks te doen. In armoede leefden we, in armoede werden we oud, en in armoede stierven we. En er was eigenlijk ook niks anders te doen.

Maar, het moet gezegd, het was wel gezellig en overzichtelijk in die tijd. Je kende je buren, misschien wel iets te goed. Er was wat sociale controle, je kon niet doodgaan zonder dat iemand het merkte. Aan de andere kant, je kon ook niet vreemdgaan zonder dat iemand het merkte.

Deze tijd is zo kort geleden dat velen van u die nog kennen. Anders gezegd, drie of vier generaties die nu leven kennen dit soort armoede nog. In 1940 hadden de 5% rijkste Nederlanders 70% van het privé-vermogen in Nederland. De andere 95% moest het doen met 30% van het vermogen. Nederland was een ontwikkelingsland.

Dat is nu wel anders. De rijkdom is nog steeds oneerlijk verdeeld, maar er komt niemand meer om van de honger of kou. Iedereen kan naar school, en zelfs tot ver na het 21e levensjaar, de huizen zijn verwarmd en bevatten tenminste een douche. We gooien verschrikkelijk veel eten weg, naast het verpakkingsmateriaal. We kunnen voor een prikkie vliegen naar een ver oord waar de kosten van een steak en een biertje nog veel lager zijn dan hier, bijna iedereen heeft een tv, of zelfs twee. Bijna iedereen heeft meer kleren dan een kledingkast kan bevatten. Er gaan meer mensen dood aan overgewicht, overmatige alcoholconsumptie en overmatige tabaksconsumptie. Dat we nu dood gaan aan een teveel aan luxegoederen lijkt me een indicatie van onze welvaart. We zitten er warmpjes en weldoorvoed bij.

Natuurlijk, er zijn nu 46.000 mensen met problematische schulden. 6% van de Nederlanders leeft onder de huidige armoedegrens, waaronder overigens veel kinderen en niet-westerse allochtonen. Maar voor 94% van de Nederlanders geldt bovengenoemde weelde. De rijkdom is voor iedereen, de rijkdom is gedemocratiseerd.

Dit is vooruitgang. De geschiedenis vertoont een stijgende lijn. Alle generaties bij elkaar zijn nog nooit zo rijk geweest, en er lijkt voorlopig geen einde te komen aan de technologische mogelijkheden om ons leven nog makkelijker, luxer en aangenamer te maken. De synthese is altijd beter dan de these. Kijkt u maar naar uw tv. Het nieuwe exemplaar is altijd beter dan het oude.

En toch dreigt er een generatieprobleem, volgens sommige economen. Dat zou te maken hebben met een ongelijke verdeling van de lusten en lasten van de verzorgingsstaat. Waarschijnlijk gaan die economen uit van de stelling dat een luxeprobleem ook een probleem is. En van die andere stelling, dat armoede relatief is. Niet voor niets vond het boek van Richard Layard, over de vraag waarom wij niet gelukkig zijn, gretig aftrek onder economen en politici. Zijn stelling is dat het niet uitmaakt hoeveel we hebben, ongelukkig worden we toch wel, omdat buurman Jones net iets meer heeft dan buurman Smith. En daar wordt Smith, ondanks zijn rijdende auto, zijn huis in de buitenwijken en zijn gezonde kinderen op school, toch ongelukkig van. Deze vergelijkende ongelukkigheid zou zich aftekenen tussen de generaties. Laten we verder gaan met de kernvraag van deze lezing: welke generatie een conflict zou moeten hebben met welke generatie.

Een luxeprobleem

Economen durven er niet aan, de baten en lasten voor elke generatie berekenen. Het is ook moeilijk, want het gaat om een oneindige hoeveelheid variabelen. Bovendien zegt het gemiddelde van de baten of lasten van een generatie niet veel over de werkelijkheid. Het gemiddelde inkomen is nu 28.000 euro per hoofd van de bevolking, oftewel 62.000 gulden, als u net als ik nog eens terugrekent in de valuta van vroeger. De gemiddelde gepensioneerde heeft in 2020 een inkomen van 93% van een werkende – dat betekent overigens dat een aantal gepensioneerden veel minder en een aantal anderen veel meer heeft dan een werkende.

Omdat ik van huis uit geen econoom ben kan ik in blissful ignorance als politicoloog deze vraag benaderen. Eén van de eerste centrale vragen die je als politicoloog meekrijgt is die van een van de grondleggers van onze wetenschap. Dat is de vraag die Harold D. Lasswell in 1936 neerzette als de leidende vraag voor politicologen: who get’s what, when and how. Dat is in essentie de vraag waar het in de politiek om gaat, en zeker in verkiezingsstrijd als de partijen elkaar met de jongste CPB-rapporten om de oren wapperen.

De vraag van Lasswell is in een notendop ook de vraag waar het over gaat bij het vermeende generatieconflict. Nu ben ik gelukkig niet de eerste die zich bezighoudt met deze vraag. Recente rapporten van onze cijfermeesters van het Centraal Bureau van de Statistiek, de regeringsadviseurs van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en de economen van het Centraal Planbureau verdiepten zich ook al in deze vraag.

Goed. Who get’s what, when and how. Die vraag stellen we per generatie.

De ‘vooroorlogse generatie’ is geboren tussen 1900 en 1930. Deze mensen hebben de Tweede Wereldoorlog bewust meegemaakt. Mijn opa’s en oma’s. Zij waren gedoemd om in armoede oud te worden, omdat de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog nog niet zoiets kende als een uitgebreid eerste- of tweede-pijler-pensioenplan. Als onder leiding van Drees en Suurhof de AOW niet was ingesteld, dan was deze generatie er bijzonder bekaaid afgekomen, zeker in vergelijking met de rijkdom die de generaties na hen toekwam met de ontdekking van de gasbel. Dit is de generatie die als eerste gebruik mocht maken van het staatspensioen. De vooroorlogse generatie heeft in mijn ogen de AOW ook het meest verdiend, want zij heeft twee oorlogen doorstaan en ertussen en erna hard gewerkt om het land op te bouwen. Voor hen waren er geen WW, bijstand, kinderbijslag of hypotheekrenteaftrek. Vanaf hun 65e kregen deze mensen eindelijk rust en een redelijk inkomen, al stelden de eerste AOW-uitkeringen toen niet veel voor.

De ‘stille generatie’ is geboren tussen 1930 en 1945. Wat deze mensen bindt is dat ze de Tweede Wereldoorlog als kind hebben meegemaakt. Na de oorlog was het voor hen armoe troef, en golden witbrood en sigaretten als een ongekende luxe. De meesten van hen werden direct van school ingezet voor de wederopbouw van Nederland. Alleen door noeste avondstudie kon een aantal van hen hogerop komen. Wat ze al wel meekregen was een goed pensioenstelsel. De AOW werd in 1957 ingevoerd, en in die tijd betaalden de werkenden een paar procenten van hun inkomen voor het staatspensioen voor de generatie vóór hen. Dat was ook maar een kleine generatie. Tevens konden de meeste werknemers meedoen aan de verplichte pensioenfondsen. Het fijne van toen was dat de pensioenen gebaseerd waren op eindlonen. Als je een beetje carrière had gemaakt dan was je goed af. Collega’s die een minder steile inkomensontwikkeling hadden meegemaakt betaalden voor dat systeem.

Dat gold overigens alleen voor mannen. Vrouwen werden geacht getrouwd te zijn en op het inkomen en het pensioen van hun man te leven. Vrouwen die niet aan dat plaatje voldeden, of voor een jonger exemplaar waren ingewisseld begonnen hun gepensioneerde leven met een flink pensioengat op hun AOW.

Een aantal leden van de stille generatie heeft nog kunnen profiteren van verzorgingsstaatregelingen die in de loop van de jaren zestig en zeventig werden ontwikkeld. Een werkloosheidsuitkering ter hoogte van het gemiddelde inkomen. In de jaren tachtig een Vervroegde Uittreding om plaats te maken voor de jongere generaties. Rond die tijd was het ook mogelijk om vervroegd uit te treden via de arbeidsongeschiktheidsroute. Werkgevers- en werknemersorganisaties hebben ruimhartig gebruik gemaakt van deze mogelijkheid om oudere werknemers uit het arbeidsproces te begeleiden. De belastingen waren hoog, in de hoogtijdagen van de herverdeling zelfs 72% voor de grootverdieners, maar daar stond dan ook een ruimhartig sociaal zekerheidsstelsel tegenover.

Deze generatie miste echter net de leuke boot van de Rolling Stones, de pil, lang studeren en het Woodstock-festival. Daar waren ze net te oud voor en net in de jonge kinderen. Bovendien moesten ze hard werken voor de kost zodra ze dat konden – de Marshallhulp moest immers wel worden stukgeslagen door hard weder-opbouwen. Bijvoorbeeld van goedkope huurhuizen, waar ze zelf in konden wonen. Voor het opbouwen van het land haalden we ook een andere groep mensen uit de stille generatie binnen: gastarbeiders uit de mediterrane landen. Deze mensen kwamen vanaf de jaren zestig naar Nederland, toen er meer banen dan werknemers waren. Het was niet de bedoeling dat ze bleven, velen van hen hoefden dus ook niet mee te doen met de collectieve pensioenregelingen. Dat hebben ze geweten, na het in ontvangst nemen van hun AOW-gat.

Als ik optel wat de twee vooroorlogse generaties gekregen hebben, hoe en waarom. U mag zelf beoordelen of u het een kost of een baat vindt:

- een oorlog, de redenen zijn welbekend

- de Marshallhulp, om een nieuwe oorlog te voorkomen, maar daar moest wel voor gewerkt worden

- voor de rijken onder hen een toptarief voor de belastingen van 72%

- weinig mogelijkheden om door te studeren, alleen in je eentje in de avonduren

- de AOW, tegen een relatief kleine bijdrage

- de eerste baten van de aardgasbel

- een redelijk pensioen, belastingvrij gespaard, maar nu belastingdragend

- sommigen een VUT-regeling, of een andere uittreedroute

- goedkope huizen, in twee betekenissen van het woord

- veel kinderen, vanwege het eind van de oorlog en bij gebrek aan de pil

Dan de ‘protestgeneratie’. Die is geboren na de Tweede Wereldoorlog, in die vrolijke tijd na de bezetting en de hongerwinter. Protestgeneratie is een beetje een overtrokken benaming, net als stille generatie, want mijn ouders waren verre van stil. Het zijn die paar behaarde Maagdenhuisbezetters en Damslapers die naam hebben gegeven aan deze generatie. De rest protesteerde hooguit stilletjes tegen het gezag van ouders en kerk en slikte stiekem de pil. De protestgeneratie is zonder al te veel luxe opgevoed, en moest het nog doen met aardappelen, groente, en in de loop van hun jeugd meer vlees. Lezen wij De Avonden nog maar na over de beklemmende eenvoud van die tijd.

Voor het overige kon de protestgeneratie doorgaan op de ingeslagen weg van de vorige generatie. De gasbel werd ingezet voor ruimhartige sociale voorzieningen, huizen waren goedkoop en de hypotheekrenteaftrek steeg mee met de prijs van de woning. De 30% die mocht doorstuderen mocht dat lang doen, en de 70% die gewoon begon te werken mocht zich ervan verzekeren dat als hun baan verloren ging, er een goede werkloosheidsuitkering tegenover stond. Omdat ze nog jong en idealistisch waren in de jaren zeventig hebben weinigen van hen het toptarief van 72% hoeven betalen.

Tegelijkertijd konden ze instappen in goede pensioenregelingen. Samen met de waardevermeerdering van hun huizen, als ze die gekocht hadden, bouwde deze generatie gemiddeld een redelijk kapitaal op. Dat zijn niet mijn woorden, maar de berekeningen van de WRR. Het gemiddelde vermogen van de mensen die nu tussen de 55 en 64 jaar zijn is de afgelopen twintig jaar met ruim 109% gestegen, van 82.000 euro naar 171.00 euro. Dat komt vooral door gestegen huizenprijzen, goede beleggingsresultaten en lage pensioenpremies.

Het zijn wèl mijn woorden als ik zeg dat deze generatie optimaal heeft geleefd in het arbeidersparadijs. Met het arbeidersparadijs bedoel ik de periode tussen 1960 en 1980 waarin de meeste van onze sociale zekerheidsarrangementen tot wasdom kwamen en toegankelijk waren voor iedereen die in Nederland woonde of werkte. Goede arbeidsomstandigheden, ruimhartige uitkeringen en een stabiel pensioensysteem. Mijn stelling wordt overigens wel gestaafd door cijfers van het CBS: de oudere generaties maken twee tot drie keer meer gebruik van bijstand, werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Dat komt overigens niet omdat ze luier of zieker zouden zijn. Dat heeft in de eerste plaats te maken met het feit dat ze ouder en vaker versleten zijn. Ook wordt deze generatie vaker gediscrimineerd op leeftijd en kan ze moeilijker aan een nieuwe baan komen. Een andere reden waarom de protestgeneratie vaker een uitkering heeft komt omdat bij wetswijzigingen de rechten van de zittende uitkeringsontvangers gehandhaafd blijven: alleen de nieuwkomers vallen onder een strenger regime.

Dat arbeidersparadijs was overigens nog beter toegankelijk als je je hield aan het standaardmodel: werknemer in vaste dienst zijn, en niet te vaak van baan wisselen. Er waren natuurlijk genoeg mensen die zich daar niet aan hielden, de kleine zelfstandigen zoals mijn ouders. Ook was het voor de vrouwen van de protestgeneratie niet allemaal zo rooskleurig als voor de mannen. Zij moesten tot 1970 stoppen met werken als er een kind kwam – en ging het kind eenmaal naar school, dan moest er vier keer op en neer worden gefietst voor het brengen en halen, ook tijdens de middagpauze. Pensioen bouwden die vrouwen niet op en als ze wel werkten, kregen ze minder betaald dan de mannen.

Als ik weer tot de kernvraag mag komen, who gets what, when and how, dan heeft de protestgeneratie weer net wat meer gekregen dan de vorige generaties:

- een beklemmender jeugd met door de oorlog getraumatiseerde ouders

- in reactie daarop rock & roll en de pil

- minder kinderen, vanwege de pil

- straks AOW en aanvullend pensioen, omdat het systeem goed heeft gewerkt.

- voor de woningbezitters: meer geld voor je huis, omdat huizen altijd meer waard worden

- gemakkelijke toegang tot sociale zekerheidsvoorzieningen, omdat we dat konden betalen en redelijk vonden

- en voor de hoger opgeleiden, een eeuwige studententijd: we waren allang blij dat zoveel meer mensen konden studeren

- relatief lage AOW-premie, want er zijn ten opzichte van deze generatie minder ouderen

We gaan naar de ‘verloren generatie’. Niet voor niets verloren genoemd, ook omdat ze tussen twee redelijk aanwezige generaties zit. Dit zijn de mensen die geboren werden tussen 1955 en 1970. Met stille ouders, die niet veel anders konden dan hun kinderen maar hun gang laten gaan, want de protestgeneratie had inmiddels de weg gebaand. Ik zit met mijn geboortejaar op de grens van het verloren-zijn en de andere generatie, die soms pragmatisch of als Nix en soms met ‘patat’ wordt aangeduid. De verloren generatie was te jong om mee te doen met de studentenprotesten, met demonstraties tegen het koningshuis, of om snel nog even een lid van de stille generatie van een stoel te wippen.

De verloren generatie had het absoluut beter in haar jeugd. Er was genoeg te eten, en de wereld was, zeker in hun jeugd, nog redelijk overzichtelijk, zij het in zwart-wit en slechts op twee netten beschikbaar. Zij hadden echter de botte pech de arbeidsmarkt te betreden toen het bijzonder slecht ging met de Nederlandse economie. Zo tussen 1980 en 1990. Er waren geen banen. De banen die zouden worden gecreëerd door hun ouders massaal met VUT te sturen waren niet voldoende om die grote groep, ook nog hoger opgeleid, een goede baan te bezorgen. Wat wèl bleef waren hoge VUT-lasten, ‘omslaggefinancierd’. Gelukkig waren er in die tijd nog redelijk toegankelijke werkloosheidsuitkeringen, en daar heeft deze generatie dan ook volop gebruik van moeten maken. Uit pure verveling stortte een deel van deze generatie zich op de punkmuziek en het kraken van huizen.

De mazzelaars onder hen mochten in de kraakpanden blijven wonen, en het gedrag en het geluk van de enkeling levert nog steeds scheve ogen bij een aantal minder fortuinlijken onder ons, die ook wel in de Vondelstraat of Nieuwmarktbuurt in Amsterdam hadden willen wonen.

De meerderheid van de verloren generatie kwam echter wel weer aan het werk na 1994, toen het beter ging en Paars wat ideologische veren had afgeschud. Het vervelende was wel dat ze van onderop moest beginnen. Hoe hard men ook werkte, onvermijdelijk kwam er ooit een glazen plafond van protestgeneratiegenoten die nog lang niet van plan waren hun bestuurszetels op te geven. De mensen met de leukste banen willen allemaal wel langer doorwerken.

Met een beetje geduld zit het leiderschap er voor deze generatie er ook wel in. Kijk naar de huidige fractievoorzitters en partijleiders, allemaal verlorenen. Nu ze op weer iets latere leeftijd kinderen kregen richten ze de politieke agenda succesvol op het belang van kinderopvang. Het is echter deze generatie die ook de hoogste pensioen- en vroegpensioenlasten moet dragen. Zodra ze begon te werken betaalde ze de volle mep. Later kwamen daar ook nog de VUT-lasten bij voor de ouders, en nu het vroegpensioen wordt afgeschaft voor iedereen jonger dan 56 moet deze generatie daar het meest voor betalen – zonder er zelf recht op te hebben. Daarbij hebben ze tot nog toe, historisch, niet veel op hun conto staan. Geen oorlog gevoerd, het land niet opgebouwd, de macht niet omvergeworpen maar gewoon moeten wachten tot er plek was, op de arbeidsmarkt en woningmarkt.

Om het redelijk droevige lijstje samen te vatten van wat ze hebben gekregen en waarom:

- geen rock & roll, wel nihilistische punk, ze moesten toch wat

- kraakpanden, omdat die leegstonden en deze generatie nog geen huizen kon kopen en huurhuizen toen ook al duur waren

- minder werkgelegenheid, latere carrières en een glazen plafond van de protestgeneratie, omdat de generatie voor hen net binnen was

- lange studieduur, maar wat kon je anders, er was toch geen werk

- hoge pensioenpremies, hoge AOW-premie, want de generatie voor hen werd steeds groter

- een redelijk toegankelijke WW; dat konden we niet betalen, maar het systeem was nog wel vriendelijk

- op latere leeftijd kinderen gekregen, omdat ze toen pas durfden.

Nu wij, de ‘patatgeneratie’, de ‘pragmatische generatie’, de Nixers, de Einsteiners, de jeugd van tegenwoordig. Opgegroeid in een cornflakesjeugd, met een eigen tv op de slaapkamer, elke maand de nieuwste en hipste kleren, goed te betalen omdat de modeketens de productie hebben geoptimaliseerd en naar lage-lonen-landen verplaatst. De jeugd die hapklare brokken vindt, hygiënisch verpakt in de koelkast of broodtrommel. Of die niet eens een broodtrommel meeneemt, omdat de schoolkantine ruim voorzien is van diverse happen, broodjes en gefrituurde waar. Die elke dag lang onder de douche kan staan, uitgebreide assortimenten haarlakken en gels heeft, zich op felgekleurde fietsen en brommers mag verplaatsen naar een uitspanning, of naar dansants, feestelijke partijen en pretparken. Voor de jeugd van tegenwoordig is er altijd wat te doen – getuige het feit dat er in elke stad een speciaal uitgaansblad is. De grote klacht van jongeren is dat ze niet naar alle films, feesten of festivals kunnen.

Op school werden de nieuwste onderwijsconcepten op ons uitgeprobeerd, maar het belangrijkste was dat we het leuk vonden. Dat het een beetje uit onszelf kwam. Voor ons was de OV-studentenkaart uitgevonden. Rond de tijd dat we dat reizen door Nederland een beetje zat waren kwamen de goedkope chartermaatschappijen, zodat we met onze vrienden niet naar de jeugdbuitenverblijven in Maarn en Zeist hoefden voor wat vertier, maar direct konden doorvliegen naar de Spaanse costa’s.

40% van ons studeerde door, 60% deed dat niet. Maar dat maakte ook niet uit, want toen wij de arbeidsmarkt betraden was de internetbubbel in zijn hoogtijdagen. De banen lagen voor het oprapen en het geld eveneens. Hypotheekverstrekkers verzonnen de meest geweldige constructies om gratis maar met een beetje risico te wonen. We stonden te trappelen, in de rij, om een appartementje van 80 vierkante meter voor inmiddels het dubbele bedrag van vorig jaar te kopen. Dat kon allemaal, dankzij de inlegvrije hypotheek. Deze tijd heeft ons voor altijd verpest.

Daarna kregen we gewoon weer baantjes, en ontevreden als we waren wisselden we om de paar jaar van baan. Of we moesten van baan verwisselen, want de Flexwet verplicht een werkgever een werknemer na drie tijdelijke contracten een vaste betrekking aan te bieden. Dat doet de werkgever zelden, de enige zekerheid van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid is de zekerheid dat je er na drie contracten uit ligt. Tussen de banen door is het echter moeilijk om een volledige WW-uitkering te krijgen, want de eisen zijn verscherpt. Voor jongeren onder de 27 is er in veel steden ook geen bijstandsuitkering meer als ze geen werk kunnen vinden. Dat was dan ook de gekkigheid van het arbeidersparadijs, dat je direct na je school of een onafgemaakte opleiding een uitkering kon aanvragen. Over pensioenen maakt mijn generatie zich nog niet druk. Hoewel: 70% denkt dat er geen AOW meer is als zij oud zijn, maar die tijd is nog ver weg.

Het luxe en zorgenvrije leven geldt overigens alleen voor de witte jeugd. Die zich overigens ook mag verheugen in grote erfenissen van hun ouders, gemiddeld 180.000 euro per wit kind. De kinderen van de stille mediterrane generatie zijn bovengemiddeld vaak werkloos, 40% van de allochtone jongeren is werkloos, tegenover 20 % van de autochtone jongeren. In Rotterdam heeft 60% van de allochtone jongeren geen werk. Voor hen ook geen erfenissen, want hun ouders hebben niet of nauwelijks pensioen opgebouwd. De patatgeneratie is niet meer zo wit als de vorige generaties. In 2003 waren er 600.000 niet-westerse tweede-generatieallochtonen in Nederland. Een troost: omdat er steeds meer ouderen komen, is er ook steeds meer werk in de zorg. Volgens de WRR zouden alle kinderen die nu van school komen in de zorg moeten werken om aan de behoefte aan werknemers in de zorg te voldoen. Ik vermoed dat veel jongeren dat niet als een troost zien.

Wat hebben wij dat zij-vóór-ons niet hadden?

- een cornflakesjeugd, omdat hun babyboomouders dat niet meer dan normaal vonden

- kinderbijslag en kleedgeld, de zelfde reden, en de kinderbijslag was toch inkomensonafhankelijk

- internet en mobiele telefonie, omdat de technologie niet stilstaat

- met uitzondering van de dip tijdens Balkenende 1, 2 en 3 veel werkgelegenheid, omdat deze generatie kleiner is, en nu nog goedkopere arbeid levert. Ook veel werkgelegenheid in de zorg

- grote erfenissen, tenminste als de ouders een beetje hadden meegedaan met de juiste regelingen

- hoge pensioenlasten, hoge AOW-premie, omdat er naar verhouding steeds meer ouderen zijn

- weinig kans om een huis te kopen, en als de hypotheekrenteaftrek wordt beperkt is dit de eerste generatie die niet meer mag aftrekken

- minder zekerheid en sociale zekerheid, omdat de regelingen aangescherpt zijn en het vaste contract voor het leven, inclusief gestage pensioenopbouw voor deze generatie niet meer is weggelegd

- slechter onderwijs. Zelfs scholieren en studenten beginnen nu te klagen over de weinige contacturen, de experimenten en de slecht opgeleide docenten

Nu de centrale vraag: welke generatie moet nou een conflict met welke generatie hebben?

Als we door de oogwimpers kijken hebben twee generaties recht tot klagen, en minder gekregen dan de andere generaties: de verloren generatie en de vooroorlogse generatie. De vooroorlogse generatie zit haar tijd wel uit, ze staat bekend om haar karakter dat ze nooit heeft geklaagd. Van haar hoeven we geen conflict te verwachten. Als generatie heeft de verloren generatie de meeste redenen om een conflict te hebben, niet alleen met de babyboomers, maar ook met de patatgeneratie. Maar de vertegenwoordigers van de verloren generatie zijn net gesettled en ze hebben kinderen, dus dat zal wel loslopen, hooguit zullen ze de belastingen op erfenissen wat willen opkrikken en weigeren VUT-premies te betalen. Maar dat moeten ze dan wel eens gaan doen, want generaties die niet klagen worden overgeslagen. De witte patatgeneratie moet zeker geen conflict met haar ouders beginnen, dan verspeelt ze de erfenis. Bovendien zijn de meeste jongeren zo blij met hun vrijgevochten protestgeneratieouders dat ze nog lang thuis blijven wonen.

De enige generatie waarvan ik vind dat ze reden tot conflict heeft is de tweede generatie allochtone jongeren. Maar met wie? Met hun ouders, die hen niet gepusht hebben om hun school af te maken? Of die hen tussen twee culturen lieten hangen? Met de overheid, die te laks optrad tijdens hun jeugd en tegen discriminerende werkgevers? Met het kabinet, dat de discussie over wit en zwart op scherp stelde? Met Paul Scheffer en Frits Bolkestein, die de problemen een naam gaven? Met hun generatiegenoten, die wel de leuke banen krijgen? Met zichzelf, omdat ze er niet uit hebben gehaald wat er in zat? Toch is dit de enige generatie die, in de weelde van het Nederland van nu, reden heeft om in opstand te komen. Armoede is immers relatief, en het is deze groep die, hoewel ze niet hoeft om te komen van de honger, de minste goodies van de verzorgingsstaat heeft gekregen. Slecht onderwijs, geen bijstand, geen pensioenopbouw, geen kansen, geen toekomst. Deze generatie zou zich eens moeten organiseren, in een vakbond of een ouderwetse maatschappelijke beweging. En voorzover deze groep dat niet heeft gedaan, haar studie afmaken. Desnoods in de avonduren, en dan niet naar Lingo kijken. Net zoals de stille generatie dat gedaan heeft.

Maar voor ons, de witte, werkende, werkloze, maar vooral welvarende burgers is er weinig reden om een generatieconflict te ontketenen. Natuurlijk, gepensioneerden zijn best rijk, en mogen best wat belastingvoordeel terugstoppen in de grote pot. Maar eigenlijk heeft geen enkele generatie veel reden tot klagen. We leven in een rijk land, en iedere generatie heeft zijn steentje bijgedragen om zo rijk te worden. Onze probleempjes zijn luxeprobleempjes. Probleempjes, daar niet van, maar geen reden tot conflict. Meer reden om te relativeren.

Luister vaker naar dode dichters

U kunt het met me eens zijn of niet, u zou andere cijfers kunnen presenteren, u kunt vinden dat ik een eenzijdige versie van de economische geschiedenis heb verteld. Maar ik kan niet geloven dat u het oneens bent met mijn stelling dat we nog nooit zo rijk zijn geweest. En ik hoop dat u het met me eens bent dat als we het alleen over geld hebben, onze beschaving wel erg verschraalt.

Ik ben een linkse politica, en die staan bekend als zure mensen. Mijn recept om zurigheid tegen te gaan is zoete liedjes van ver voor mijn geboortejaar draaien. Cole Porter, Berlin, Gershwin, maar ook doctorandus P, Dorus en Annie M.G.Schmidt. Wat is het met die dichters? Ik vermoed dat metriek, rijm, humor en milde kritiek in evenwicht waren. Ik luister liever naar ‘You’re the top’ van Cole Porter dan een liefdesballade van Marco Borsato. Niets ten nadele van Borsato, maar Porter heeft het relativeringsvermogen dat we altijd al zoeken in relaties, of ze nu privé, publiek of politiek zijn:

You’re the Nile, you’re the tower of Pisa

You’re the smile, on the Mona Lisa

I’m a worthless check, a total wreck, a flop

But if baby, I’m the bottom, you’re the top

Lijkt me toch echt een liedje dat de generaties naar elkaar zouden moeten zingen.

Ik weet het, de rappers van nu kunnen ook geweldig dichten. Maar ik moet altijd denken: ‘jongens, waar is de melodie, waar is het akkoordenschema, ooit gehoord van rubato of allegro ma non troppo?’ Het lijkt wel of mijn generatie maar één ding tegelijk kan.

Dus vind ik mijn relativering in de liedjes van de oude doos. Relativeren is een kunst, en niet alleen voorbehouden aan Maarten van Rossem. Laten we relativeren. En onze zegeningen tellen. Dat is toch wel de wijste les die ik van mijn Indische grootmoeder zaliger heb geleerd. Laten we relativeren. Laten we minder zeuren. Laat ik een aanzet doen. Met een variatie op Annie M.G. Schmidts hilarische ‘Zeur niet’:

Zeur niet op je Gazelle-fietstwinsetjes, over al die andere fietsers, zeur niet.

Zeur niet in de H&M, met je tasjes, lakjes, hakjes, als je de juiste maat niet kunt vinden, zeur niet.

Zeur niet over de striemende regen, als je met je kinderen in de bakfiets naar de witte school rijdt, ver buiten je postcodegebied.

Zeur niet over burgerlijkheid, als u de dag niet kunt beginnen zonder zonnegroet of transcendente meditatie.

Zeur niet over de AOW, als je zelf ruim voor je aanvullend pensioen spaart.

Over de vergrijzing, als je net een ticket naar de Galapagos-eilanden hebt geboekt.

Zeur niet over naveltruitjes, als uw eigen buik de verticale lijn verstoort.

Over zedeloosheid, als u zelf er ook wel pap van had gelust, maar niet kreeg.

Zeur niet over de huurliberalisering, als je zelf zo scheef woont als de toren van Pisa.

Over de hypotheekrenteaftrek, als in de afgelopen tien jaar je huis twee keer meer waard is geworden.

Zeur niet over de Albert Heijn, als je nooit meer bij de groenteboer koopt.

Over de Blokker, als je hygiënische wegwerpdoekjes koopt.

Zeur niet over maandagmorgen, als je zondagnacht in de kroeg hebt gehangen.

Over je zakgeld, als je net 300 sms’jes hebt verstuurd.

Zeur niet over de energiekosten, als je de kraan laat lopen als je je tanden poetst, zeur niet.

Over uw diabetes, als u elke week kroketten en omeletten eet.

Zeur niet over Marokkanen als je nog nooit tajine hebt gegeten.

Over Amerikanen, als u nog nooit de Library of Congress hebt geraadpleegd

Zeur niet over topsalarissen, als u zelf nog nooit tachtig uur per week hebt gewerkt en uw familie hebt verzaakt.

Over schuifelende rollator-rijders, als je zelf in een Porsche Cayenne rijdt.

Over voedselbankbezoekers, als u nog nooit in de bijstand hebt gezeten of niet honderd keer bent afgewezen met uw sollicitatiebrief.

Zeur niet over de medewerkers van de helpdesk, als je zelf niet eens de helpknop hebt geraadpleegd.

Over die ene ober, het gebrek aan kassamedewerkers, de overspannen verpleegster, de wachtlijst voor de aannemer, zeur niet. En zeur dan vooral niet over Oost-Europeanen, die maar al te graag dat werk willen doen.

Niet zeuren betekent geen stilstand of achteruitgang. Als we minder zeuren hebben we meer ruimte in ons hoofd voor de echte problemen. Die liggen verder van ons bed dan we denken. Er is nog veel vooruitgang te boeken, niet alleen voor onszelf, maar zeker nu buiten de grenzen. Zeur dan liever over echte problemen. De geschiedenis bewijst dat goed zeuren best kan helpen. En dat is iets wat we van de protestgeneratie kunnen leren. Zij hebben gezeurd om het einde van de Vietnamoorlog, met sit-ins, sleep-ins, protestmarsen en brievenacties. De protestgeneratie zeurde over de beschikbaarheid van de pil en heeft haar zin gekregen. De anti-apartheidsbeweging heeft met succes gezeurd over het apartheidsregime in Zuid-Afrika. De Max Havelaar stichting en de jonge organisatie FairFood zeuren met steeds meer succes over oneerlijke prijzen die wij betalen voor ons eten. Stichting Wakker Dier gaat zeuren over het einde van de intensieve veehouderij. De Jubilee Foundation en representanten van de verloren generatie Bono hebben gezeurd over de schuldenlast van derdewereldlanden en grote kwijtscheldingen voor elkaar gekregen. Een Schotse krant zeurde over de vergeten oorlog in Darfur en nu zit er een VN-vredesmacht. Vluchtelingenwerk zeurt over de onmenselijke behandeling van vluchtelingen, en heeft het jongetje Hui en zijn moeder uit de gevangenis gekregen. Orhan Pamuk zeurde over het verleden van Turkije en kreeg de Nobelprijs. Ayaan Hirsi Ali zeurde over de rechten van de vrouw en kreeg in ieder geval het debat op gang. De FNV gaat zeuren over de werkloosheid onder allochtone jongeren. De PvdA-fractie in de stad Amsterdam zeurt over de prostitutie en mensenhandel. De regering van Brazilië heeft ‘zeur niet’ gezegd tegen de farmaceutische industrie en produceert nu zelf goedkope medicijnen tegen AIDS. Al Gore zeurt over het klimaatprobleem, en heeft nu een aantal wereldleiders aan zijn missie verbonden.

Zeuren mag, zeuren helpt. Maar zeur dan over wezenlijke zaken. Zeur dus af en toe, maar zeur zinnig.

Aangehaalde literatuur en liedjes

Becker, Henk (1994) Generaties en hun kansen. Vierde, uitgebreide editie. Amsterdam: Meulenhoff.

Laswell, Harold (1936) Politics: Who Gets What, When, How. New York: Mc Graw-Hill

Layard, Richard (2005) Happiness: Lessons from a New Science. New York: Penguin Press.

Porter, Cole (1936) You’re the top. New York: Chappel & Co.

Schmidt, Annie M.G. (1965) ‘Zeur niet’. Uit de musical Heerlijk duurt het langst, van Harry Bannink en Annie M.G. Schmidt.

Vos, Mei Li (2006) Het arbeidersparadijs. Werken in het begin van de 21e eeuw. Amsterdam: Prometheus.

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2006) De verzorgingsstaat herwogen. Over verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Gepubliceerd in:
Wetenschapspecial